Stichting Lecture Ministries

    Evangelische lectuur en ondersteuning

    STUDIES-NL 22



     Het eeuwig voornemen van onze God  in de zo genoemde wederkomst van de Heer.

    Inleiding

    Over de (weder)komst van de Heer Jezus wordt doorgaans niet zo gedetailleerd gesproken in de doorsnee prediking van het evangelie. Toch is het een uitermate

    belangrijk gegeven in het Nieuwe Testament van de bijbel en het eerstvolgende heilsfeit in de ontwikkeling van het Koninkrijk van God.

    De komst van de Heer immers kenmerkt de inleiding tot de eindoverwinning van het Koninkrijk van God over de heerschappij van

    -        satan (zonde, geestelijke duisternis) en van

    -        Dood (geestelijke dood, zonde tot de dood (1Joh.5: 16) .

    De overwinning van het Koninkrijk van God is de kern van het evangelie van Jezus (de) Christus. Het is de boodschap van herstel en verlossing, niet alleen voor de

    mens, maar voor de hele schepping. Deze zucht nog altijd onder de claim van de zondemacht, de duivel. De duivel doet vanaf de zondeval in de Hof van Eden nog steeds de mens ‘de dood sterven’.  Hij brengt als ‘zonde-macht’ en dus als handlanger van de ‘Doods-macht’  de mens tot zonde, d.w.z. tot ongehoorzaamheid aan de ware God. Daardoor komt wetmatig tot vervulling: ‘indien je eet van de boom van kennis van goed en kwaad, zul je de dood sterven’  (Gen.2: 16).

    De ‘dood sterven = komen onder de claim van (de) Dood(smacht).

    De Dood(smacht)

    De Dood is een persoonlijkheid! Zo wordt hij door Paulus aangeduid als de láátste en dus de stérkste vijand van God en alle mensen sinds ‘den beginne’  en tot zijn

    ‘einde’  in de ‘poel des vuurs’ (1Cor.15: 26; Op.20; 14). In de profetie van het boek Openbaring wordt hij afzonderlijk ook aangeduid met de namen Apollyon (Grieks) of Abaddon (Joods) als benaming van:

    -        de ‘engel van de afgrond’ (Op.9: 11), ook genoemd:

    -        het ‘beest uit de ‘zee’ of afgrond’ (Op.13: 1-10),

    ofwel de geest, waarmee de antichrist  wordt vervuld (Op. 13: 11 e.v.). 

    Het ‘beest uit de zee’  ofwel de ‘engel van de afgrond’  is dus een aanduiding van de Dood(smacht), ook aangeduid als de ‘engel des verderfs’ , terwijl de antichrist ook

    het beest uit de aarde’ wordt genoemd.

    In de chronologie van de bijbelse profetie is duidelijk, dat datgene, wat het laatst genoemd wordt, er ook het eerst was. In de eerste verzen van de bijbel (Gen.1:2) wordt

    de invloed van de Dood op de toenmalige aarde al genoemd:

    De aarde (onderdeel van de zichtbare schepping) was woest en ledig en duisternis lag op de vloed’.

    De Hebreeuwse vertaling van het boek Genesis (van Dr Reisel) luidt hier: 'de aarde is geweest ontzettend chaotisch, ook was er duisternis boven het oppervlak van een

    watermassa’. Woestheid, ledigheid en verderf zijn kenmerken van het dodenrijk. Deze situatie wordt dan ook later in de bijbelse context meermalen aangeduid als ‘het verderf’ en was er dus al vóór de in de bijbel genoemde scheppingsdagen (Gen.1: 2).

    De Heer Jezus sprak over de ‘brede weg tot het verderf’  (Matth.7: 13); Hij kenmerkte in zijn ‘hogepriesterlijk gebed’  Judas Iskariot, welke 3 jaar met Hem opgetrokken

    was, als ‘de zoon des Verderfs’      (Joh.17: 12) als tegenbeeld  van de ‘zoon Gods’,  wat op Hemzelf van toepassing is.

    En de apostel Paulus spreekt in 1Cor.10: 10 over de verderfengel  naar aanleiding van de opstand van Korach, Datan en Abiram tegenover Mozes in Num.16, waardoor

    ze werden  ‘verzwolgen in de aarde’ , dus ‘levend ter helle’ voeren.

    Paulus gebruikt aangaande de komende Antichrist ook de aanduiding ‘zoon des/van Verderf(s)’  (2Thess.2: 3). De apostel Petrus spreekt in zijn brieven over ‘slaven des

    Verderfs’  (2Petr.2: 19). Kennelijk wordt hier niet de duivel, maar de Dood(smacht) bedoeld.

    Het boek ‘Openbaring van Jezus Christus’ spreekt over het ‘beest uit de afgrond’  (Op.17), waarmee het genoemde ‘beest uit de aarde’  als ‘valse profeet’  en

    ‘Antichrist’ verbonden is en als diens uitvoerder kan worden gezien.  En tenslotte wordt de Dood als laatste vijand in de ‘poel des vuurs’ of eeuwige afgrendeling geworpen, nadat hij ‘naakt’ is uitgekleed en al zijn gevangenen heeft moeten loslaten voor het laatste oordeel (1Cor.15: 26; Op.20: 14).

    De twee getuigen

    De ‘twee getuigen’ is een aanduiding van de ware gemeente van Jezus Christus, waarin het Woord van God en de Geest van God

    centraal staan.

    Zij worden ‘monddood’  gemaakt door het genoemde ‘beest uit de afgrond’, waarvan de antichrist als ‘zoon des verderfs’ de uitvoerder is (Op.11: 7 e.v.). Deze sterke

    geest uit de afgrond

    (de Dood (smacht) ontvangt in de lijn van de bijbelse profetie van de duivel, draak en oude slang (satan dus) al diens kracht, zijn troon en grote macht (Op.13: 2) nadat hij zelf door Michael en zijn engelen uit de hemel (wereld der geesten) óp de aarde (natuurlijk gerichte godsdienstige wereld) geworpen (Op.12: 9).

    De gehele  ‘aarde’  (aanduiding van de valse kerk) , gaat dan het ‘beest uit de afgrond’  (de Dood) aanbidden.  In onze tijd kennen we in dit verband de term:

    occultisme!, dat nu al welig tiert onder de mensen in diverse geloofsgemeenschappen, maar zich zal ontwikkelen tot een verplichte godsdienst.

    Zo ontstaat uiteindelijk de belichamingof gemeente van de antichrist , die ook wordt aangeduid als Babylon, Sodom en Egypte (Op.11: 8) ende tegenhanger van de ware

    gemeente van Jezus Christus.

    De ware gemeente (belichaming) van de Christus, waarvan de Heer Jezus het Hoofd is, heeft daarentegen haar wandel ‘in de hemel’’, hoewel ze in uiterlijke zin nog

    functioneert op aarde, maar nog in het verborgene en mogelijk als leden van plaatselijke kerken en kringen. Als innerlijk wederom geboren christenen lopen ze echter niet mee

    met de (godsdienstige) massa ‘op aarde’, maar hebben zich door gehoorzaamheid aan het Woord van God (persoonlijke bekering, innerlijke wedergeboorte en vervulling met de

    Geest van God ) daar innerlijk niet mee verenigd (Op.18: 4).

    In hen werken het Woord en de Geest van de ware God. Daarom worden ze aangeduid als de ‘twee getuigen’ . De consequentie hiervan zal steeds meer gaan gelden,

    want zij zullen door hun getuigenis openlijk ‘gedood’  worden ten aanschouwen van alle godsdienstige mensen.  Niet letterlijk, maar ze worden niet meer geacht, geheel buitengesloten en tot een spot voor de wereld gemaakt (Op.11 en 13).

    Gedood worden = niet meer geacht of gewaardeerd, buitengesloten!

    Profetische aanduidingen van de (weder)komst

    De toekomst voor het ware volk van God duidt op een periode van grote verdrukking, waarin de volharding en het geloof van de heiligen zal blijken (Op.13: 9). De

    (weder)kómst van onze Heer Jezus moeten we plaatsen in deze sfeer van verdrukking en smaad voor het volk van God.

    Het is naar mijn mening beter om te spreken over de openbaring van Jezus Christus i.p.v. over Zijn wederkomst.  Het woord parousia, dat in de brieven van de

    apostelen in het Nieuwe Testament van de bijbel in onze bekende vertalingen veelal weergegeven wordt door het woord komst, betekent namelijk letterlijk tegenwoordigheid of aanwezigheid. De Heer is tegenwoordig ín Zijn ware volk en zal zich allereerst daarin openbaren.

    Openbaring is het zichtbaar en kenbaar worden van datgene, wat al lange tijd wel tegenwoordig en aanwezig is, maar nog verborgen.

    Vergelijk een baby, die op een bepaald moment geboren wordt, maar al geruime tijd daarvoor aanwezig was in de moederschoot. En denk daarbij ook maar eens aan

    jezelf als wedergeborene door het levende en blijvende woord van God en als het goed is ook gedoopt in heilige Geest. De Christus is dan verborgen in je aanwezig, maar nog niet ten volle geopenbaard.

    De vertaling met het woord komst suggereert een individuele verschijning van de Heer Jezus. Een plotseling en onverwacht gebeuren, wat helemaal buiten jezelf als

    gelovige om op aarde plaats vindt. Een plotseling verschijnen van een schitterende mensfiguur in de lucht, zoals de apostel Johannes overkwam op het eenzame eiland Patmos,

    toen hij in ‘vervoering des geestes’ was op ‘de dag des Heren’  (Op.1: 9,10).

    Begrijpelijk, vinden we, dat hij als dood neerviel bij deze aanblik. En als de (weder)komst van de Heer zo zou zijn, zou het geen van ons beter afgaan, denk ik. Velen

    denken ook m.b.t. de verschijning van de Heer omhoog te moeten kijken naar de zichtbare lucht. Bewust of onbewust heerst dan de mening, dat de Heer als individu op een zichtbare wolk aan de zichtbare hemelboog te zien zal zijn. En in diezelfde gedachtegang zou de Heer ook ‘vannacht’  kunnen komen of bij een wolkenloze hemel. En als het op ons halfrond van de wereldbol nacht is, is het op de andere helft dag’, op welk halfrond zal Hij dan verschijnen, als toch ‘aller oog Hem zal zien’, zoals er staat.

    Het gevolg van dit verwachtingspatroon is dan ook, dat bij velen een grote onzekerheid heerst m.b.t. de parousia [zichtbare aanwezigheid van de Heer als ‘Hoofd’ van

    Zijn ‘lichaam’ (de ware gemeente van de Heer)]. Begrijpelijk vanwege de grote mate van onlogica, die met dit patroon gepaard gaat. En met die onzekerheid dreigt het gevaar van een zekere onverschilligheid. Je weet het immers toch niet, hoe het precies gebeurt, dus laten we maar afwachten. Dit kan echter desastreuze gevolgen kan hebben, denk aan de gelijkenis van de tien maagden (Matth.25).

    We verwachten daarom met betrekking tot de wederkomst van de Heer niet een komen van buiten af, maar een openbaring van binnenuit!

    Het Woord van God roept ons nu al vele eeuwen op om waakzaam te zijn m.b.t. de parousia van de Heer. Ik noem een paar uitspraken van onze Heer Jezus zelf:

    -          ‘Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt’ (zich zal openbaren) (Matth. 24: 42).  

    -        ‘…Weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt (openbaart zich) de Zoon des mensen’ (Matth.13: 44).

    -     ‘Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur’ (Matth.25: 13).

    -         ‘… van die dag of van die ure, wanneer dit zal gebeuren, weet niemand, ook de engelen niet, zelfs de Zoon niet!!, alleen de Vader, die de ‘tijden en gelegenheden’ in

    Zijn hand houdt (Marc.13: 32,33).

    -         ‘Zalig die slaven, die de Heer bij Zijn komst (Zijn verschijning of openbaring) wakende zal aantreffen’ (Luk. 12:

    37).                                                                                                                          

    -         ‘Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat mag zijn, te ontkomen aan alles wat geschieden zal en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen’ in

    Zijn openbaring (Luk.21: 36).

    Het eerstvolgende heilsfeit

    Zeker is, dat de openbaring van Jezus Christus het eerstvolgende heilsfeit zal zijn, dat wij als gelovigen hebben te verwachten. De Heer is nu al aanwezig in Zijn

    lichaam, dat nog verborgen is in de ‘moederschoot’, zoals een lichaam, dat reeds in ontwikkeling tot een zekere volheid aanwezig is, maar nog geboren (geopenbaard) zal gaan worden tot een totale volheid. Hij heeft bij Zijn heengaan tot de Vader de belofte aan de Zijnen gegeven:

    ‘Ik ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld’ (Matth.28: 20).

    De Heer is voortdurend  en overal op aarde door Zijn Geest aanwezig ín de Zijnen, maar nog in het verborgene. Maar de belofte is, dat Hij zich zal openbaren. En wie zich naar deze openbaring uitstrekt zal, als de Heer nu al door Zijn Geest in het verborgene van het hart woont, dus mogen zeggen: Zíjn openbaring zal ook míjn openbaring zijn’.

    Als een natuurlijk kind geboren wordt, dan komt al hoe pril, een menselijke ziel en geest tot openbaring als een innerlijke persoonlijkheid, welke zich openbaart door

    middel van een lichaam.

    Zo betekent ook de parousia  van de Heer, dat Hij zich van binnenuit openbaart via Zijn lichaam, de enig ware gemeente van Jezus de Christus. Deze is op aarde niet

    plaatselijk aan te wijzen als een bij het kadaster geregistreerde organisatie, maar zal zich wereldwijd openbaren in ware christenen met

    -        een bewuste ‘wandel in de hemel’,

    -        want ze zijn ‘burgers van een rijk in de hemelen’,

    -        waaruit zij ‘de Here Jezus, (de) Christus als Verlosser’ verwachten,

    -        die door de inwonende ‘Geest des Heren’ hun ‘vernederd (aards) lichaam’ veranderen zal,

    -        zodat het ‘aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig’  wordt,

    -         ‘naar de kracht, waarmee Hij alle dingen aan zich kan/zal onderwerpen’

         In de wereld zal de ware christen eerst gelijkvormig worden aan de dood van de Heer vanwege miskenning, vervolging en (lichamelijk) lijden, waar velen nu volop mee te

    maken hebben. Maar de verwachting van de ware christen is, dat hij/zij ook zal mogen komen tot de ‘opstanding van tussen de doden uit’ . Om zo ‘het eeuwige leven te grijpen’, zich daarnaar uit te strekken en ‘te jagen naar het doel, de prijs der roeping van Godswege, die van boven is, in de Christus Jezus’ .

         Wij worden tot deze gezindheid opgewekt en daartoe achter ons te laten, wat niet ‘ter zake doende’  is en in hetgeen we reeds bereikt hebben, ‘in dat spoor verder te gaan’

    (Fil.3: 8-15).

    Zo ontwikkelt de christen naar ‘het beeld van zoon van God’  en daarmee naar gelijkvormigheid aan Hem naar ‘het evangelie der heerlijkheid van de Christus, die het

    beeld Gods is’ (2Cor.4: 4). Wij mogen ons daarvoor nu al openstellen en ons laten klaarmaken door het Woord van God en door de vervulling met Zijn Geest.

          Zeker zal de Heer zich ook als individu in een persoonlijke gedaante kunnen openbaren, zoals Hij dat ook deed aan Zijn discipelen na Zijn opstanding. Maar houdt er wel

    rekening mee, dat u of ik, als Hij zich aan ons persoonlijk vertoont, net  

    -        als de bedroefde Maria van Magdala bij het lege graf,

    -        de diep teleurgestelde Emmaüsgangers op weg naar huis,

    -        de discipelen in het schip, toen ze niets vingen,

        Hem niet zonder meer direct als de Heer zullen herkennen. Ook wij zullen in voorkomende gevallen, schromen om te vragen: ‘bent u het Heer?’, terwijl we het in ons hart

    dan wel weten (Joh.21:12).

    Hoe openbaart de Heer zich?

    De openbaring van Jezus de Christus betekent zeker, dat Hij net als na Zijn opstanding zich dan hier, dan daar persoonlijk in één of ander menselijke gedaante aan de Zijnen zal openbaren, zoals we nu al getuigenissen horen en lezen van onze medebroeders en –zusters, die in verdrukking leven. Onze Heer  versterkt, bemoedigt, vertroost en vermaant op vele manieren, typerend met name voor christenen in de verdrukking.

    Maar Zíjn parousia is tevens ook ónze parousia, omdat we één ‘lichaam’ met Hem zullen zijn, want wij zullen mét Hem geopenbaard worden als uiting van de

    heerlijkheid van God Zelf.

    Het ‘lichaam van Christus’  is namelijk in diepere zin de opzet tot het openbaar worden van het ‘lichaam’ van God’  zelf.  Het gaat er immers uiteindelijk daar om, dat

    uiteindelijk‘God zelf alles in allen’ zal zijn (1Cor.15: 28). Dat betekent, dat onze God al van vóór alle eeuwigheden de hele schepping al tot in detail heeft voorbereid om het wezen mens in volmaaktheid en als ‘beeld’ van Zichzelf tevoorschijn te brengen.

    In de zin van een gelijkenis denk ik dan aan een boer die zijn akker minutieus voorbewerkt om het zaad van de zuiverste kwaliteit te ontvangen en een zeer grote oogst

    van ultieme kwaliteit te verwachten.

    Zo heeft onze God in de door Hem bedoelde ‘volheid van de tijd’ Zijn ‘zaad van hoge kwaliteit omdat Hij in groot geloof zichzelf daarin heeft geïncorporeerd ’ in de

    buitenste duisternis van het dodenrijk gebracht, nota bene om het te laten sterven, dus onder de claim van Zijn ‘aartsvijand’, de Dood te brengen.

     Aan de (godsdienstige) wereld buiten het Koninkrijk van God zal de Heer Jezus zich door middel van Zijn ‘lichaam’  (de wereldwijde gemeente van de eindtijd) laten

    gelden. Daarvan is Hij immers zelf het Hoofd en daarin werkt Hij door Zijn Geest. Elk oog zal Hem zien in Zijn volk, waar ook in de wereld. Alle ‘stammen der aarde’, d.w.z. alle

    gelovigen, die hun wandel niet in de hemel (geestelijke wereld), maar op de aarde (natuurlijke wereld) hebben, zullen met vrees en schrik bevangen zijn bij de openbaring van de Heer in en met Zijn volk (Op.11: 11). 

    Nu is het ‘lichaam van Christus’  nog verborgen in de ‘moederschoot’ van de ‘hoogzwangere vrouw’, welke wordt vervolgt door de ‘draak’, welke haar ‘kind’ wil

    verslinden.  Haar ‘kind’, nu geen ‘baby in Bethlehem, maar een ‘mannelijke zoon’ , welke bestemd is voor de troon van God, komt op Gods tijd tevoorschijn, terwijl de ‘vrouw’

    moet ‘vluchten’ naar ‘de woestijn’  (van het aardse leven), waar ze voor tijd en wijle een door God bereide plaats heeft.

    Deze ‘vrouw’ is weliswaar innerlijk bekleed met Gods heerlijkheid, maar uiterlijk ‘schreeuwt ze in haar weeën en pijn om te baren’ (Op.12). Op Gods tijd en wijze zal

    haar ‘mannelijke zoon’ zich wereldwijd openbaren en de hele zuchtende schepping verlangt samen met de gelovigen naar die openbaring (Rom.8: 19-22).

    De parousia van de Heer is dus ook de parousia van het ‘lichaam van Christus’, de gemeente ‘zonder vlek of rimpel of iets van dien aard, heilig en onbesmet’  (Ef.5: 27), welke in de eindtijd openbaar wordt. Niet als een met een door mensen gekozen naambordje aangeduide kerk of gemeente op aarde.

    Nee, slechts door middel van het geopenbaarde ‘lichaam van Christus’ van alle tijden en plaatsen wordt de veelkleurige wijsheid van onze God openbaar als Zijn heerlijkheid, waarnaar Hijzelf vurig verlangt als een ‘Bruidegom naar Zijn bruid’.

    In den beginne

    ◊ In den beginne maakte de Schepper Zijn plan en gedachten openbaar.

    ◊ In de Heer Jezus werd als eerste het ‘Woord van God’ openbaar’.

    ◊ En in de wederkomst wordt het doel van God met de mens openbaar.

    Toen de Schepper in den beginne sprak:

    Laat ons mensen maken naar ons beeld en als onze gelijkenis’,

    werd het Woord eerst een ‘levende ziel’  uit de door de Schepper gevormde samenstelling van aardse elementen, waarin Hij ‘levensadem’  blies. Deze samenstelling noemde Hij mens. De ‘levensadem’ in de mens is de onverwoestbare ‘levenskiem’  uit God, die als verborgen schaduwbeeld in iedere ‘zaadkorrel’ ( natuurlijk mens), aanwezig is.

    De mens als ‘levende ziel’ werd (en wordt nog steeds) als zaad in de akker  (de wereld) uitgezaaid. En in die akker stierf/sterft het zaad vanwege de invloed van de

    duivel, de vader der leugen, maar de levenskiem in dat zaad bleef/blijft intact en ontwikkelt tot rijpheid, hetzij ten kwade als het blijft onder de claim van dood en duisternis, het

    zij ten goede, als het verbonden wordt met de God van het leven. Dan groeit daaruit een mens als ‘levendmakende geest’ naar ‘Gods beeld en gelijkenis’ in ‘het aangezicht van

    de Christus’  (Gen.1: 26; 2Cor.4: 4-6).

    Net als bij ieder zaad in de natuurlijke wereld is dus vanuit de levenskiem in het ‘zaad van God´ een ontwikkeling naar volle rijpheid ontstaan. Die openbaarde zich

    allereerst in onze Heer Jezus in de door de Schepper bepaalde ‘volheid van de tijd’.

    De volheid van de tijd

    In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde heeft als doel de volmaakte mens te doen ontstaan, zoals de Schepper van oorsprong af bedoelde (Gen.1: 26).

    Daartoe schiep God eerst de dingen ‘in een begintoestand’ met de bedoeling om ‘alle dingen nieuw te maken’.

    In de volheid van de tijd werd het Woord van God wezenlijk vlees in de Eersteling van de oorspronkelijk bedoelde mensheid, onze Heer Jezus.

    In Hem werd vooreerst de Geest van God blijvend verbonden met het Woord van God (het kenmerk van de eerder genoemde ‘Twee getuigen’ ).

    Jezus sprak: ‘Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weer te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en het weder te nemen; dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen’  (Joh.10: 17,18).

    Voor ons geldt een dergelijk gebod. De liefde van God gaat ook naar u en mij uit vanwege de ingeschapen levenskiem in ieder mens. Vanwege deze onsterfelijke levenskiem in ieder mens heeft de Schepper álle mensen lief en is het mogelijk dat álle mensen tot erkenning van waarheid komen, ook over het vraagstuk van waarheid en leugen, leven en dood.

    Door middel van deze levenskiem kan de mens bewust het oude leven, (dat vanaf de zo genoemde ‘zondeval’ in het prille begin van de mensheid (Gen.3) gekenmerkt wordt door zonde, leugen, ziekte, gebreken en dood), afleggen en een even bewuste verbinding aangaan met het levende en blijvende Woord van God.  Daartoe is een duidelijke prediking van het evangelie ván Jezus (de) Christus nodig.

    De Schepper heeft namelijk op basis van deze door Hem ingeschapen levenskiem direct na de zondeval een belofte aan de gevallen mens verbonden en een principiële vijandschap gezet tussen de mens en de ware veroorzaker van de zonde, de duivel, die door zijn misleidingen de mens brengt onder de claim van de Dood(smacht) (Gen.3: 15).

    De realisatie van deze belofte is begonnen met de komst van de door geschiedenis, erfopvolging, wetmatigheid en profetie aangekondigde Messias in de zo genoemde ‘volheid

    van de tijd’, toen God zelf Zijn Zoon openbaar maakte in onze Heer en Heiland Jezus de Christus (Efeze 1; Galaten 4: 4; Col.1,2,3).  Het gaat in de hele schepping om het openbaar worden van de door God zelf bedoelde Messias/Christus.

    Dat is de mens naar Gods oorspronkelijke bedoeling en ter wille van dit openbaar worden is de hele wereld geschapen. Alle dingen hebben hun bestaansrecht in Hem en alleen dóór Hem kan de mens tot het door de Schepper beoogde doel komen (lees Hebr.1).    

     Het geloof in deze enige weg is het behoud van de eeuwige toorn van de ware God. Deze  geldt uitsluitend voor de duivel en de Doodsmacht, voor welke enige ontferming van Godswege is uitgesloten omdat ze willens en wetens het heilsplan van God voor de mens trachten te verhinderen.

     En ook alleen de mens, welke willens en wetens weigert de grote genade van God in het offer van Jezus de Christus te accepteren, wacht geen andere weg dan die van de duivel

    en de Dood, namelijk de eeuwige verwerping in de zo genoemde ‘poel des vuurs’  ofwel de ‘tweede dood’, welke voor de duivel en zijn engelen bereid is (Matth.25: 41; Op.21: 8).

    Er is in de bijbel sprake van het zo genoemde ‘laatste oordeel’  ofwel ‘het oordeel van de Zoon des mensen’  (Matth.24, Lucas 21, Op.20). Vóórdat dit ‘oordeelsproces met

    betrekking tot álle niet innerlijk wederom geboren mensen van álle tijden begint, worden successievelijk eerst

    -        de ‘geest van de antichrist met de valse profeet zelf’  (Op.19: 19 en 20)

    en daarna

    -        de ‘grote draak, oude slang, duivel en satan’ (Op. 20: 2, 10)

    en ten slotte

    -        de ‘Dood en diens hele dodenrijk’ (Op. 20: 14)

    totaal en definitief uitgerangeerd en geworpen in de genoemde ‘poel des vuurs’, waaruit geen ontsnapping mogelijk is. Dit is de ‘eeuwige afgrendeling’  van zonde, dood en verderf, ver van het aangezicht des Heren’.

    Zo komt de weg, die de eeuwige Schepper vanaf de eeuwigheid ontworpen heeft, tot voltooiing en komt er een totaal nieuwe hemel (wereld der geesten) en nieuwe aarde (natuurlijke schepping in al haar volmaakte verscheidenheid) tevoorschijn.

     Hiervoor heeft de grote Schepper zelf het ‘bestek’ bedacht en de Heer Jezus als de ware en oorspronkelijk bedoelde mens verwekt om de uitvoerder van dit bestek te zijn.

    Dit bouwproces van het Koninkrijk van onze God gaat door sterven en opstanding, dood en leven heen tot eeuwige heerlijkheid. Het is het door de Schepper bedachte proces van innerlijk sterven  en wedergeboorte  tot eeuwig leven.

    God is de grote Zaaier

    Het door de Schepper gezaaide Woord brengt uiteindelijk de mens voort naar Gods oorspronkelijke bedoeling, namelijk als ‘beeld en heerlijkheid’  van Hemzelf als de

    grote Schepper van alle dingen.

    Het begon aanvankelijk maar met één mens, onze Heer Jezus. Maar de Schepper werkt altijd in het kleine en voor de wereld onbetekenende. Dat is de ‘dwaasheid van

    onze God’.  Maar die dwaasheid blijkt wijzer te zijn dan de wijsheid van de mensen. Het is ook het ‘zwakke van onze God’, maar die blijkt sterker te zijn dan de kracht van de mensen (1Cor.1: 25).

    De Schepper van hemel en aarde komt in de context van de bijbel dus naar voren als de grote ‘Landman’ (boer). Zoals deze zijn akker voorbewerkt om het zaad daarin te

    brengen en een grote oogst te verwachten, zo heeft onze God ‘het Zaad’ in de persoon van onze Heer Jezus in de wereld gebracht. Dit ‘zaad’ bracht Hij in groot geloof zelfs in het dodenrijk, onder de claim van Zijn grote vijand, de Dood(smacht). Hij maakte zichzelf één met dit ‘Zaad’ en vertrouwde op de kiemkracht van de levenskiem daarin, toen Hij het ‘zaaide’ in de duisternis van het dodenrijk.

    Als de beheersers van ´deze eeuw´ van dit geheim van God geweten zouden hebben, ze zouden de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. Maar God zij dank, zij hebben nooit geweten, wat onze God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben. Maar wij mogen het weten door de vervulling met de Geest van God, die de diepste gedachten van God doorzoekt (1Cor.2: 6 e.v.).

    In dat éne zaad, die Ene mens naar Gods oorspronkelijke bedoeling, zit een onnoemlijke potentie door de bescherming en begeleiding van de grote Landman zelf. Hij

    bracht dit zuivere zaad in de sinds de zondeval in Eden door de Dood beheerste grond (zeg maar dodenrijk) om het nota bene te laten sterven  onder de ogenschijnlijk onoverwinnelijke claim van verderf en ondergang.

    De grote Schepper ‘zette als het ware Zijn hele kostbare schepping ‘op het spel’ en investeerde Zijn hele vermogen in die Éne mens, door Hem zelf verwekt. In het geloof

    echter, dat Hij daardoor alles zou behouden in plaats van te verliezen.

    Dat is het geloof van God! Juist door het inzetten op die Éne, kostbare Parel, zouden alle andere parels behouden worden voor hun oorspronkelijke bestemming, tenzij zij

    zelf willens en wetens zich van de éne weg tot behoud afwenden.

    Het éne, zuivere zaad van de ware God brengt naar Zijn eeuwig voornemen een overvloedige oogst voort. Op deze oogst richt zich het welbehagen van onze God. Zoals

    de nieuwe plant de openbaring is van het zaad, dat in de grond gebracht wordt en zoals het kind de openbaring is van het verborgen embryo in de moederschoot,

    zo is het Woord de openbaring van het eeuwig voornemen van God.

    En dit Woord is allereerst ‘vlees’ geworden in de Mens Jezus de Christus en het is nu bezig overvloedig ‘vlees’ te worden in een veelheid van mensen, die evenals Hij

    ‘zonen Gods’ genoemd zullen worden.

    De aanduiding ‘zoon’ geldt voor de mens, die als ‘vleesgeworden’ Woord van God ook vervuld is met het wezen of de Geest van God’.

    De openbaring van: - ‘zaad’, dat tot ‘plant’ wordt,

                                  - ‘zaad’ dat tot ‘kind’ wordt of

                                  - ‘Woord’, dat tot ‘vlees’ wordt,

    gaat met een proces van ‘sterven’ gepaard en is daarom pijnlijk te noemen. Maar het heeft de Vader behaagd om via dit proces van sterven en opstanding het ‘zoonschap’

    te openbaren.

    Het gaat onze God niet om via een moeilijk proces van vallen en opstaan, pijn en moeite ons een plaatsje in de hemel te bezorgen.

    Het gaat er onze God om, dat wij Hém gaan openbaren. En dat kan alleen doordat de Christus volkomen gestalte in ons krijgt. Alleen daardoor komt het wezen van God

    openbaar. En daartoe is onze Heer Jezus als Eersteling van dit Christus-lichaam geopenbaard en is ook onze bestemming om net als Hij vervuld worden met het wezen of de Geest van onze God.

    Zo gaat het principe van het ‘zaad’ verder. Woord en Geest van onze God zullen opnieuw in volheid verenigd zijn in de getuigen van de eindtijd (Op.11). Dat is het

    ‘lichaam van Christus’, dat evenals het Hoofd via een proces van ‘sterven’ en ‘opstanding’ tot heerlijkheid gebracht wordt.

    Deze getuigen prediken het enige evangelie van Jezus Christus, zij het ‘in zak en as’  vanwege de grote verdrukking, die zich over de wereld uitstrekt. Ook zij worden

    weer ‘gedood’, dus als een ‘zaad in de grond gebracht’ onder de claim van de Dood, welke zich dan manifesteert als het ‘beest dat uit de afgrond opkomt’ (Op.11).

    Pas wanneer hun getuigenis tot voleinding is gebracht, dus als het doel van die prediking is bereikt, worden ook zij gedood, evenals indertijd hun Heer. Hun getuigenis

    pijnigt de afvallige mensheid, welke zichzelf een ‘evangelie’ heeft aangemeten onder het occulte gezag van de Antichrist.

    Het getuigenis van de ware God wordt dan schijnbaar wéér uitgeschakeld, zoals het indertijd ook leek bij het sterven van de Heer aan het kruis van Golgotha. De

    getuigen worden monddood gemaakt en de godsdienstige wereld buiten de ware God verheugt zich over hun massale ‘sterven’ en het zien van hun ‘lijken’ op de ‘straat der grote

    stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is’ . Zij kan de pijnigende prediking van het ware evangelie niet verdragen, omdat dit de leugen, waarin ze gelooft, aan de kaak stelt en ontmaskert.

    Maar ook déze getuigen, de gemeente van de eindtijd, kunnen evenals eertijds hun Hoofd, niet worden vastgehouden onder de claim van de Dood. Ook zij staan weer op

    vanwege de kracht van de Geest van God, die zich met hun innerlijke mens heeft verbonden. Ook zij ondergaan een proces van sterven, echter zonder onder de claim van de Dood

    te komen. Integendeel: evenals eertijds hun Heer verbreken ook zij door de kracht van de inwonende Geest de ‘weeën van de Dood’. Ook zij gaan door deze Geest weer ‘op hun voeten staan’ (= opstanding). Het is voor de Doodsmacht niet mogelijk, de getuigen van de eindtijd vast te houden, net zo min als hij de eerste ‘Trouwe Getuige’ heeft kunnen vasthouden (vgl Hand.2: 24).

    Weer is hier dus sprake van ‘zaad, dat in de grond valt en sterft’, maar juist daardoor wordt vanwege de inwendige levenskiem een overvloedige oogst voor God teweeg

    gebracht: een totale zuivere mensheid als beeld en heerlijkheid van God.

    Door de éénwording van de Geest van God met het Woord van God ontstaat ‘zoonschap’ en ‘zoonschap’ is het kenmerk van de ware Mens.

    Ten aanzien van de Eersteling van de oorspronkelijk bedoelde ware mensheid sprak de hoogwaardige heerlijkheid, God de Vader: ‘Deze is Mijn Zóón, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb (Matth. 17: 5; 2Petr.1: 17).

     Door Zijn opstanding uit de dood (beter: van tussen de doden uit!) verklaarde deze Eersteling van de ware mensheid door het getuigenis van de inwonende ‘Geest der heiligheid’

     de Zoon van God te zijn in kracht (Rom.1: 4).

    Geest en Woord  samen vormen dus de ware mens, die de Schepper vanaf ‘den beginne’ bedoelt. En zij kenmerken het ware ‘zoonschap Gods’! Dat is geen menselijke wijsheid,

    zoals de zo genoemde ‘wet van Pythagoras’: a2 + b2 = c2’ , maar dat is de uitkomst van Goddelijke wijsheid.

    Alleen als in uw en mijn leven het Woord van God verbonden wordt met de Geest van God, dan worden u en ik zonen van God. We worden dan het ‘beeld van de Zoon’ gelijkvormig. We zijn Hem dan gelijk geworden. Dit is ‘de bediening des Geestes’. We mogen dat nu reeds ten volle verwachten, omdat iedere bedekking hiervan is weggenomen door het werk van Jezus Christus, want waar de Geest van God werkt, is vrijheid! Terwijl we nu reeds deze heerlijkheid zonder bedekking weerspiegelen, veranderen we van heerlijkheid tot (meerdere) heerlijkheid door de Here, die Geest is (2Cor.3: 7-18). 

    Op de openbaring van dit ‘lichaam van zonen’ wacht de hele schepping (mens, dier en plant) met zuchtend verlangen, zegt Paulus (Rom. 8).

    Laat je daarom niet op subtiele wijze verleiden om de Heer te verwachten buiten jezelf om. Hij wil zich openbaren door u en mij heen. Als Hij dan geopenbaard zal zijn,

    dan zullen ook wij met Hem verschijnen in heerlijkhei

    (Col.3: 4).

    Als we slechts blijven hopen op een verschijning van de Heer buiten onszelf om en als we slechts van ons af blijven kijken of de Heer er al aan komt, dan lopen we net

    als de ‘dwaze maagden’ gevaar, dat de ‘olie van ons geloof’ opdroogt en de kracht van de heilige Geest in ons afzwakt.

    De parousia, de aanwezigheid van de Heer wordt openbaar, al gaat het proces van openbaring dwars door een grote verdrukking heen vanwege de zich reeds aftekenende

    heerschappij van de mens der goddeloosheid, de ‘zoon van Verderf (= Dood)’, de Antichrist.

    Zoals de Zoon en de zonen van de ware God het evangelie van de ware God in de wereld brengen, zo brengen de zoon en de zonen van de antigod (Dood) de

    ogenschijnlijk vrije, maar verstikkende boodschap van het occultisme in de wereld en velen worden in deze strik gevangen.

    Daarom is het zo nodig om net als de ‘wijze maagden’ ‘olie in onze lampen’ te houden, zodat we die niet hals over kop nog moeten zien te krijgen als de ‘Bruidegom’

    daar is, want dan kan het te laat zijn.

    De Heer roept ons op om te blijven volharden in het Woord der waarheid en steeds te blijven staan onder de leiding van de Geest der waarheid. Zodat we als één geheel

    met ons Hoofd, Jezus Christus de komende Godsregering over de ‘aarde’ kunnen gaan vervullen in het herstel van alle dingen.

              In feite is de komst of openbaring van onze Heer Jezus de openbaring van onze God Zelf. Toen enige van de discipelen (Thomas, Filippus) eens aan de Heer Jezus vroegen: ‘Heer, toon ons de Vader’, gaf Hij vrij vertaald als antwoord:

     ‘Ben Ik nu al zolang bij jullie en kennen jullie Mij nog niet? Als je Mij namelijk gezien hebt in Mijn bezig zijn, heb je ook de Vader gezien. Geloof Mij, het is de Váder, die door

    Mij heen Zíjn werken doet. Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij’! (zie Joh.14: 4-13).

    Het doen en laten van de Heer tijdens Zijn rondwandeling op aarde staat dus niet op zichzelf, maar is onderdeel van de openbaring van de eeuwige gedachten van God

    zelf. Deze gedachten noemen wij het plan van God, hetwelk in de bijbel wordt voorgesteld als het eeuwig voornemen van de enige, ware God, uit Wie en dóór Wie en tot Wie alle dingen zijn. Alle dingen, hetzij zichtbare of onzichtbare (geestelijke), zijn door de eeuwige Schepper van hemel en aarde tot aanzijn geroepen ter wille van de openbaring van de ware mens, waarvan onze Heer Jezus de centrale Persoon is. Dit lezen we o.a. in Col.1: 13-20, waarvan de kernpunten zijn:

    -        Het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde,

    -        Die het beeld is van de onzichtbare God

    -        en de eerstgeborene van de ganse schepping.

    -        Die de centraal staande Persoon is, in en door wie alle zichtbare en onzichtbare dingen en levende wezens bestaan.

    -        Die vóór alles in de gedachten van de Schepper was, want omwille van Hem zijn alle dingen geschapen.

    -        Die niet alléén op Zichzelf staat, maar het Hoofd is van Zijn totale lichaam, de enig ware gemeente op aarde.

    -        Die het begin is van alles; de éérste, die van tussen de doden uit is opgestaan en daarom onder alles de eerste geworden is.

    -        Waarin de ganse! volheid van God lichamelijk woont.

    -        Door wiens lichamelijke kruisdood als het enig ware zoenoffer in principe alle dingen met God verzoend zijn, zowel op aarde (zichtbare wereld) als in de hemelen

    (onzichtbare wereld).

    -        Door wie ook wij verzoend zijn vanwege de dood van Zijn aardse lichaam aan het kruis.

    -        Door wie wij heilig en onberispelijk zullen staan voor de eeuwige God, als we maar standvastig blijven in het geloof en ons niet laten afbrengen van de hoop van het

    evangelie, dat verkondigd is en ook nog wordt in de ganse schepping onder de hemel. 

    De eeuwige God is de Schepper van alle dingen (Ef.3: 9), die ook de kracht heeft om alle dingen aan zich te onderwerpen (Fil.3: 21).

    Uit Hem zijn alle dingen voortgekomen (Rom.8: 6), aan Hem ontlenen alle dingen hun bestaan en naar Zijn eeuwige doelstelling werken alle dingen toe (Joh.1:3;

    Rom.11:36; 1Cor.8:6).

    De eeuwige doelstelling van God is, dat er een totale mensheid zal zijn, welke een uitdrukking zal zijn van het wezen van de eeuwige Schepper. Dan zal God zelf alles in allen zijn, dus ieder individu vol van het wezen van God.

                In 1Cor.15 betoogt de apostel Paulus over de opstanding uit de doden als een fundamenteel punt in het evangelie van Jezus Christus. Als de Christus niet is opgewekt uit de doden en daaruit is opgestaan, dan is de prediking van het evangelie ijdel en heeft geloof geen zin. Ons getuigenis aangaande de opstanding blijkt dan een leugen te zijn geweest en is dus vals, zegt Paulus. Ook zouden onze zonden, die zich vanaf Adam hebben voorgedaan en opgestapeld, niet vergeven zijn. We zouden dus allen verloren zijn voor het doel van God en ook degenen, die al ontslapen zijn, zijn met een valse hoop ontslapen. Als je de opstanding uit het evangelie haalt, reikt ons geloof niet verder dan het graf en zijn we er als christenen maar ellendig aan toe (: 14-18).

                Maar opstanding is een feit, zegt Paulus. Net zo goed als de dood is ingetreden in de schepping door de óngehoorzaamheid van de éérste Adam (mens), is de claim van de

    dood teniet gedaan door de opstanding als gevolg van de géhoorzaamheid van de laatste Adam (mens).

    En zoals tot de gehoorzaamheid in Christus geen mens ontkomen is of zal ontkomen aan de claim van de Dood en daardoor innerlijk gestorven is of sterft voor zijn

    eeuwige bestemming als gevolg van de zonde,

    zo zullen ook allen, die in geloofsgehoorzaamheid in Christus zijn ontslapen of nog leven op aarde, levend gemaakt of opgewekt worden en de claim van de Dood

    nimmer ervaren.

    Eerst de Christus Jezus in de ‘volheid van de tijd’ als Eersteling, daarna allen, die tot Zijn lichaam behoren in de ‘volheid der tijden’ als zij met Christus wederkomen en

    verschijnen in heerlijkheid (1Cor.15: 20-22; Col.3: 4).

    Eerst de ontslapenen in Christus, daarna de nog levenden op aarde, die in een ‘punt des tijds’ of een ‘ondeelbaar ogenblik’ veranderd worden (1Cor.15: 51,52; 1Thess. 4:

    15-17).   

    De apostel Paulus vermaande zijn jonge en geliefde medewerker Timotheüs en daarmee ook ons om wereldse begeerten te verzaken en vooral de zucht naar geld en goed

    te ontvluchten. Daarentegen wekte hij hem en ook ons op godsvrucht na te jagen, d.w.z. in zijn/ons leven te laten zien, wie God werkelijk is en wat Zijn uitgangpunt en doelstelling is. Dit in tegenstelling tot de vele karikaturen van de ware God, welke (goedbedoelende) mensen in de loop van de geschiedenis bedacht hebben. Al deze karikaturen zijn als afgoden aan te merken en kunnen de mens niet brengen tot diens door God bedoelde bestemming.

     Van de ware godsvrucht stelde Paulus, dat ze grote winst oplevert, als ze gepaard gaat met tevredenheid in het aardse leven. Hiervoor is in verhouding met de geestelijke

    ontwikkeling namelijk slechts weinig nodig (vgl Luc.10: 38-42). Eerste levensbehoeften zoals dagelijks brood, kleding en onderdak noemde Paulus in feite genoeg om tevreden mee te zijn. Wat daar boven uit gaat, hoeft op zich niet verkeerd te zijn, maar kan de mens ook gemakkelijk in verzoeking brengen en schade doen aan zijn wezenlijke bestemming als mens naar de bedoeling van de Schepper (1Tim.6).

     We weten vanuit de bijbel, dat niemand ooit God gezien heeft, hoewel Hij zich vanaf  ‘den beginne’ talloze malen en op vele manieren heeft doen gelden. Pas onze Heer

    Jezus heeft ons laten zien, wie de Vader in de hemelen is in Zijn goedertierenheid en grote mensenliefde 

    (¨1Joh.4:12 Niemand heeft ooit God aanschouwd! Indien wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en Zíjn liefde is in ons volmaakt geworden. Anders gezegd: krijgt door ons heen gestalte!).

    Mozes, de middelaar van het Verbond van God met het aardse volk Israël, (het zo te noemen schaduwverbond) verlangde ernaar om de heerlijkheid van God te mogen

    zien. Tot op zekere hoogte mocht hij iets van die heerlijkheid ervaren, maar het was niet mogelijk zonder een bedekking op zijn gelaat, want anders zou hij sterven (Ex. 33:18 e.v.).

    Mozes kon ook die heerlijkheid van God niet tonen aan het volk, want hij moest voortaan een bedekking op zijn aangezicht hebben vanwege de sterke uitstraling van die

    heerlijkheid (Ex.34; 2Cor.3: 12,13). Die bedekking was een symbool voor de noodzakelijke verborgenheid van de heerlijkheid van God vanwege de toen nog heersende zondemacht onder de claim van (de) Dood.

    In 2Cor.3 spreekt Paulus echter over de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond in de Christus. Deze gaat ver uit boven het Oude Verbond-naar-de -wet. Kenmerkende

    verschillen tussen het Nieuwe Verbond en het Oude Verbond zijn:

    vs 6 - verbond van de geest t.o.v. verbond van de letter

    vs 7 - de bediening van de Geest van het Leven t.o.v. de bediening van de Dood

                vs 9 - oude verbond ~ veroordeling; nieuwe verbond ~ rechtvaardiging

    Zolang de zonden van de wereld niet waren weggenomen, kon onze God Zijn eigenlijke wezen niet tonen aan de mens en was een ceremoniële eredienst met specifieke

    wetten en regels nodig om Zijn aanwezigheid te tonen. Hiervoor creëerde God een volk Israël uit de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob en liet toe, dat dit volk in grote uiterlijke verdrukking en slavernij in de wereldmacht Egypte werd gevormd. Egypte is een typering van het vlees in slavernij onder de zondemacht.

    Temidden van dit juk der slavernij sterkte de God van Abraham, Izak en Jakob de ouders van Mozes om het bevel van de wrede Faraö niet te vrezen en hun kind drie

    maanden lang te verbergen (Hebr.11: 23). Op wonderlijke wijze liet Hij Mozes opgroeien juist in het centrum van de macht van de Faraö en vormde hem tot een middelaar tussen Zichzelf en het nageslacht van Abraham, waarmee Hij een Verbond was aangegaan.

    Middels dit volk hield Hij de belofte aangaande een Messias levend door inschakeling van richters, koningen en profeten. Door Mozes werden onder bijzondere leiding

    van God de eerste geschiedenissen, wetten en profetieën aangaande de realisatie van de zo genoemde ‘moederbelofte’ aan Adam en Eva (Mannin) te boek gesteld. Deze werden later door zieners, koningen en profeten aangevuld. Met elkaar vormen deze geschriften het Oude Testament van onze bijbel.

     Toch bleef ondanks de vele tekenen, wonderen en opzienbarende gebeurtenissen, welke dit aardse volk Israël beleefde, de werkelijke doelstelling van God met de mens

    als een geheim verborgen. Pas de middelaar van het Nieuwe (betere) Verbond tussen God en de hele mensheid, onze Heer Jezus, heeft de bedekking van de heerlijkheid van onze God weggenomen. 

    Sindsdien kan en mag ieder, die dit door persoonlijk geloof aanvaardt, zonder bedekking de heerlijkheid des Heren weerspiegelen en van heerlijkheid tot heerlijkheid

    ontwikkelen, om zo te veranderen naar het beeld, dat onze God van oorsprong af van de mens heeft. Dit beeld wordt openbaar in het ware zoonschap, dat bewerkt wordt door de werking van de Geest van God. Onze God heeft ons immers van te voren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, die daarmee de éérstgeborene wordt onder véle broeders (Rom.8: 28-30).

    Stelling 1:

    De heerlijkheid van onze God is de openbaring van de Christus!

    ‘Christus’ is geen eigennaam, maar een titel, welke uitsluítend van toepassing is op het wezen mens. Hetzelfde geldt ook voor de aanduiding ‘christen’! Waar nu de

    Christus verschijnt in individuele of gemeenschappelijke zin, wordt de heerlijkheid van onze God zichtbaar.

    In dit kader heeft de (weder)komst van onze Heer plaats en betekenis.

    Stelling 1a:

    De openbaring van de Christus is de openbaring van de heerlijkheid van onze God!

                Vanuit de profetie en openbaring van de bijbel wordt duidelijk, dat het in feite gaat om de openbaring van het wezen van de eeuwige God Zelf. Deze is Zelf ‘enkel Geest’, de Eeuwige en Onzienlijke Persoonlijkheid en de Bron van alle licht en leven. Niemand heeft ooit deze God gezien ……… (1Tim.6: 16).

                Stelling 2:

    Onze God is enkel Geest en om zich te openbaren, heeft Hij de mens geschapen tot Zijn ‘lichaam’.

    Duidelijk mag dan ook zijn, dat de openbaring van onze Heer Jezus in een onafscheidelijk verband staat met de openbaring van het wezen van onze God.

    Voor het in onze bijbel vertaalde woord ‘komst’ worden in de Griekse grondtekst een aantal woorden gebruikt, welke verschillende waarden aanduiden. Door de waarde

    van deze woorden te kennen, krijgen we een veel duidelijker zicht op de wezenlijke inhoud en betekenis van de (weder)komst of openbaring van onze Heer Jezus, zowel voor gelovigen als ongelovigen, dus voor de hele mensheid. In de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament worden de volgende woorden gebruikt, waar in onze bijbel (NBG-vertaling) het woord ‘komst’ is vertaald:

    - parousia(o.a. Jak. 5: 7), wat duidt op aanwezig zijn, tegenwoordig zijn

    - apokalupsis(1Petr.1: 13), wat betekent openbaring, ontsluiering.              

    - epiphaneia, wat duidt op schijnen, verschijnen, zoals een                      

                steeds wel aanwezige ster pas verschijnt als het donker wordt.

    - phanero (1Joh.3: 12), betekent ‘duidelijk doen zijn’.

    - erchomai (Openb.1: 7) betekent ‘bezig zijn met komen’

    - heko (Openb.2: 25) duidt op de plaats van aankomst.

    Uiteindelijk heeft onze God zich laten kennen door middel van Zijn eniggeboren Zoon of anders gezegd: In Hem heeft Hij zich geopenbaard (Joh.1: 18).

    De aanduiding Zoon heeft uitsluitend betrekking op het wezen mens, al worden in het boek Job in een bepaald verband ook engelen als ‘zonen Gods’  aangeduid. Van

    oorsprong af is de mens als ‘zoon’ van God  bedoeld en daarmee als de uitvoerder van het plan van de eeuwige God.

    De aanduiding Zoon betekent ook Erfgenaam. De mens is bestemd om een erfgenaam van God te zijn. De aartsvader Abraham zag de dag (= openbaring) van de Zoon

    des mensen en hij verblijdde zich daarover zeer (Joh.8:56). 

    Een andere aanduiding, welke uitsluitend de mens betreft, is de Christus (Grieks) ofwel de Messias (Hebreeuws).

                Stelling 3:

    De Christus is de mens, die vervuld is met het wezen of de Geest van God!

                Hiervan afgeleid is de aanduiding christen. Deze aanduiding is in de loop der eeuwen enorm vervlakt en wordt te pas en te onpas gebruikt voor ieder, die tot één

    of andere kerkelijke gezindte behoort, welke ergens de Naam van Jezus in het vaandel draagt. Voor de ware christen echter geldt dezelfde definitie als voor de Christus, namelijk persoonlijke vervulling met de Geest van de enige ware God, zodat Zijn wezen en bedoeling openbaar wordt door middel van de mens.

    Het Griekse woord Phanerosis  in de onderstaande teksten duidt dan ook op het zich openbaren dóór iemand heen:

    -        Joh.17: 6: ‘Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld hebt gegeven…..’

    -        2Cor.4:10: ‘………opdat ook het léven van Jezus zich in ons lichaam zou openbaren’.

    -        Col.3: 4:    ‘Wanneer Christus verschijnt, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid’.

    -        1Tim.3:16: ‘Groot is het geheim van de godsvrucht: Die (God) Zich geopenbaard heeft in het vlees…….’

    -        1Joh.1:2:   ‘het leven toch is geopenbaard…….’

    -        1Joh.4: 9: ‘Hierin is de liefde van God jegens ons geopenbaard……’

    Van onze God weten we uit de bijbel, dat Hij de Schepper is van alle dingen, zowel in de hemel (de onzichtbare, maar duidelijk aanwezige wereld der geesten) als op de

    aarde  (de zichtbare en tastbare al of niet bezielde wereld, waarover de mens oorspronkelijk als beheerder is aangesteld (Gen.1: 26-31)).

    Mozes noemde God de God der geesten van alle levende schepselen  (Num.16: 22).

                De openbaring van de eeuwige en onzichtbare God gebeurt dus door middel van de Christus. Dit is allereerst onze Heer Jezus als de Eersteling van de vele zonen van God, welke samen met Hem zullen verschijnen in de heerlijkheid van het ‘lichaam van Christus’. Dit is de ware gemeente Gods, welke centraal staat in de totale vernieuwde mensheid, waarin uiteindelijk onze  God Zelf zich zal openbaren, want Hij zal dan álles in allen’ zijn (1Cor.15: 28).

                In de profetieën van het boek Openbaring van Jezus Christus is sprake van de stad Gods, het Nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel (onzienlijke wereld) neerdaalt (zichtbaar wordt) op aarde. Dit is een aanduiding van de verzameling van gelovige mensen uit alle tijden en plaatsen, welke als ‘levende stenen’  in een harmonisch geheel zijn samengevoegd. Van deze stad is het aardse Jeruzalem een schaduwbeeld.

    De kern van de hemelse stad Gods in de ‘opbouwfase’ is de ‘tempel Gods’. Deze wordt gevormd door de gelovigen, welke na de Heer Jezus als Zijn ‘lichaam’ gevormd

    worden door de vervulling met de Geest van God. Dit ‘lichaam’ wordt dus, zoals gezegd  samen met Hem verheerlijkt. Door middel van deze voltallige ‘zonen Gods’  wordt de gehele ‘stad Gods’  tot volheid gebracht.

    Uiteindelijk ziet immers de apostel Johannes met verbazing, dat er in het zich openbarende  ‘Nieuwe Jeruzalem’  geen afzonderlijke tempel meer te zien is. De gehele

    stad is dan namelijk ‘tempel’  geworden,

    want de Here God Zelf, de Almachtige, en het Lam vervullen haar geheel met hun wezen.

    Centraal in deze totaal vernieuwde mensheid staat het Lam Gods, dat ter wille van dit doel de zonden der wereld heeft weggenomen. Deze ‘stad Gods’  is dan op haar

    beurt weer ‘tempel Gods’  voor de volken, welke bij haar licht wandelen en de ‘koningen der aarde’  brengen hun heerlijkheid in haar (Openb.21: 22 e.v.).

    Van de Heer Jezus staat geschreven, dat Hij

    het beeld is van de onzichtbare God, de eerstgeborene van de ganse schepping.

    Terwille van Hem zijn ook

    alle dingen geschapen, zowel in de hemelen als op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare…….. (Col.1:15 e.v.).

    Dit zelfde geldt daarna ook voor

    allen, die ‘in Christus’ zijn en uiteindelijk voor allen, waarbinnen onze God ‘alles’ zal zijn(1Cor.15:28).

    Welke heerlijkheid zich daarna zal openbaren wordt in onze bijbel nog niet vermeld.

    Hessel Hoefnagel zomer 2014.