Stichting Lecture Ministries

    Evangelische lectuur en ondersteuning

    STUDIES-NL 23

    Het ‘Eeuwig voornemen’ van onze God

    Inleiding

    In de openbaring van het plan van God, zoals verwoord in de context van onze bijbel, worden drie wezens onderscheiden: God, mens en engel.

    God is enkel Geest, de Enige, Eeuwige, Onzienlijke, Alomtegenwoordige God, Die een ontoegankelijk licht bewoont, de Bron van alle licht en leven. De eeuwige Schepper van alle dingen, uit wie, door wie en tot wie alle dingen zijn, in Jezus (de) Christus (Rom.11: 36;1Cor.8: 6;Col.1: 15-20).

    De mens is een levende ziel, waaraan de Schepper een geest heeft gegeven en daardoor is hij ook een geestelijk wezen; geest en ziel vormen samen de persoonlijkheid van de mens en zijn onlosmakelijk verbonden met een lichaam van vlees en bloed.

    De engel is een geschapen geest zonder genetische ontwikkeling, wiens taak het is om de mens te dienen in de ontwikkeling tot diens door de Schepper voorgestelde doel.

    Als uitgangsteksten noem ik de volgende teksten:

    O, diepte van rijkdom, van wijsheid en kennis van God; hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding moet ontvangen?

    Want uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen! (Rom.11: 33-36).

    Voor ons is er maar één God, uit wie alle dingen zijn en één Here Jezus de Christus, door wie alle dingen zijn en wij door Hem! (1Cor.8: 6).

    Het eeuwig voornemen van God betreft zowel de hemel(situatie) ofwel de geestelijke wereld en de aardse situatie ofwel de natuurlijke wereld.

    We geloven, dat de bijbel in geschiedenis, profetie, doelstelling en openbaring een uitwerking is van dit eeuwig voornemen van God.

    Onder het begrip ‘hemel’ verstaan we dus niet een ‘plaats’ of ‘situatie’ ergens ver weg binnen het oneindige heelal, maar de overal aanwezige onzienlijke, niet tastbare, geestelijke wereld, als de ‘woonplaats’ van

    de eeuwige God,

    de innerlijk nieuwe mens in Christus en

    de dienende engelen-formaties.

    In tegenstelling daarvan spreekt de bijbel over het ‘dodenrijk’, eveneens als situatie in de geestelijke wereld, waar de Dood(smacht) nog heerschappij voert over de innerlijke mens zonder Christus en de afgevallen engelen (duivelen) hun pijnigend werk verrichten.

           De Heer Jezus schetst deze tegenstelling in de (gelijkenis of allegorie) over de ‘rijke’ man en de ‘arme’ Lazarus (Luk.16). Daarin blijkt ook de onoverbrugbare kloof tussen de enen en de andere situatie. Opmerkelijk hierin is dat het in beide situaties gaat over godsdienstige mensen, welke beide Abraham als geestelijke vader hebben.

    Onder het begrip ‘aarde’ verstaan we de zichtbare wereld als woonplaats van de natuurlijke mens, de planten- en dieren wereld en de levenloze materie.

    De (onbekende) God

    [We lezen nu eerst een gedeelte uit Handelingen 17, vers 22 – 33.

    De enige, ware God was, is en blijft altijd dezelfde. Bij Hem is geen

    verandering of ‘zweem van ommekeer’ (Jak. 1: 17). Hij is de Bron van alles, want uit Hem is alles voortgekomen. Hij is de voor velen (nog) onbekende God, Die Zich exclusief door het ‘Evangelie van Jezus de Christus’ openbaart aan de mens. Hij heeft ten behoeve van de mens de wereld geschapen en alles wat daarin is.

    Hij is de Heer van hemel en aarde. Hij woont niet in tempels, kerken of instituten, die door mensenhand zijn gemaakt of ontstaan.

    Hij laat zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij dat nodig zou hebben. Hij geeft immers Zelf aan alles leven en adem en alles wat daarbij nodig is.

    Hij heeft uit één enkel mens (*) het gehele menselijke geslacht gemaakt om op het oppervlak van de gehele aarde (**)te wonen.

    (*) Niet uit één echtpaar, want zelfs de vrouw is uit de mens voortgebracht door het persoonlijk ingrijpen van de Schepper. Het begrip ‘mens’ is daarom méér dan het begrip ‘man’ of ‘vrouw’.

    (**) De Schepper wilde dat de mensheid over de gehele oppervlakte der aarde zou worden verspreid. Daartoe stelde Hij het huwelijk tussen man en vrouw in.

            Hij bepaalde ook de indeling van de mensheid in afgebakende éénheden met eigen cultuur en tijdsindeling en stelde de juiste begrenzingen daarvan vast.

    27/28 Hij beoogde daarmee een juiste Godsverering, waarbij voor ieder individu een       

               persoonlijke band met Hem zou ontstaan.

               In Hem leven wij als mens, bewegen wij ons en zijn wij, zoals enige dichters hebben gezegd: ‘want wij zijn van zijn geslacht’. 

    (NB:   In het gebeuren van de zondvloed ten tijde van Noach dus lag een oordeel van God ten grondslag, zoals in Gen 6 t/m 8 is beschreven. Door deze catastrofe werd de mens geleidelijk gedwongen zich terug te trekken op slechts een klein gedeelte van de aardbodem. Daardoor zijn immers de enorme ijsvlakten van de polen, de enorme woestijnen, de geweldige bergketens, de uitgestrekte wereldzeeën en andere onbewoonbare gebieden op de zo mooi en compleet geschapen aarde ontstaan.

           Dus ook niet op de maan, op Mars of op welk ander hemellichaam dan ook).

    De ware mens

    Het wezen mens staat centraal in de schepping. Het oorspronkelijk doel van de Schepper wordt aan het begin van de bijbel weergegeven (Gen.1: 26):

    ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld en als onze gelijkenis……’

    Mijn interpretatie van dit vers:

    met ‘ons’ wordt niet een veronderstelde dialoog binnen een eveneens veronderstelde ‘goddelijke drie-eenheid’ bedoeld, maar is veeleer de uitdrukking van het eeuwige verlangen van de Schepper naar een eeuwige partner, met wie Hij zich als in een zuiver huwelijk zou kunnen verbinden en waardoor Hij Zijn onmetelijke potentie zou kunnen openbaren).

    Stelling 1

    Het ‘eeuwig voornemen’ of ‘plan van God’ m.b.t. de mens is niet ontstaan als een climax van de reeds geschapen dingen, maar staat daaraan ten grondslag.

    Omwille van de mens

    naar het beeld van God én

    naar de eigen persoonlijkheid als mens

    zijn alle dingen geschapen, zowel de zichtbare (natuurlijk) als de onzichtbare (geestelijk).

           God heeft de mens als deel van de natuurlijke wereld geschapen met een aards lichaam, dat bestaat uit dezelfde elementen als die van plant (flora), dier (fauna) en materie. De mens is echter niet bedoeld om net als de dieren alleen op áárde te leven en daarbij slechts aan de hémel te kunnen denken. De mens is naar de bedoeling van de Schepper een wezen, dat allereerst tot een 'wandel in de (nieuwe) hemel' be¬stemd is om van daaruit werkzaam te zijn op de (nieuwe) aarde.

           Al direct vóór in de bijbel komt dit principe naar voren en zet zich voort in de geschiedenis van de mens. ‘Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, .... toen formeerde Hij de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levende ziel’ (Gen.2:4-7 SV).

           De aanduiding ‘ziel’ karakteriseert de verbondenheid van de mens met zijn natuurlijke omgeving. De mens is daarom bij uitstek ge¬schikt om de natuurlijke wereld en met name de bezielde schepping, te kennen en te ‘onderhouden’, zoals de Schepper hem opdroeg (Gen.1:28).

           Het verlangen van de Schepper gaat echter van oorsprong af uit naar een door Hem geformeerde en geheel bij Hem passende 'geestelijk georiënteerde' mensheid, welke als Zíjn 'lichaam' (huis/tempel) zal functioneren en waarin Híj als eeuwige Geest woning kan maken.

           In de Transcriptie-vertaling uit het Hebreeuws van Genesis 1: 27 valt iets opmerkelijks op: ‘God schiep de mens naar zijn beeld (als zelfstandig denkend wezen) en naar Gods beeld (met goddelijke eigenschappen); mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hem/hen.

           Ik interpreteer dit als volgt: 

           Voordat er sprake was van mán en vróuw lezen we in ‘den beginne’ alleen over de méns (Adam), als door de Schepper aangestelde beheerder van al het geschapene. De mens was zowel mannelijk en vrouwelijk tegelijk.

           Volgens het scheppingsgegeven is pas in ‘tweede fase’ de vrouw ‘uit de mens’ genomen en pas daarna is er sprake van mán en vróuw, ofwel van twee geslachten, waarna de opdracht volgde tot vermenigvuldiging tot een totale mensheid, wat voorheen niet mogelijk was (Gen.2: 18-25).

           Hoe komt al direct in ‘den beginne’ en in het geheel van de bijbelse geschiedenis het intieme verlangen van de eeuwige God naar het door Hem daartoe geschapen wezen mens naar voren tot het vormen van een eeuwige éénheid. De Here God laat zich ten opzichte van de mens gelden als zowel Vader én Moeder, mánnelijk en vróuwelijk.

           En algemeen is bekend dat ieder mens ook in natuurlijk opzicht zowel ‘mannelijke’ als ‘vrouwelijke’ eigenschappen heeft. Bij de natuurlijke man overheersen de mannelijke eigenschappen, waardoor hij zich fysiek als man laat gelden en bij de natuurlijke vrouw overheersen de vrouwelijke eigenschappen, waardoor zij zich fysiek als vrouw gedraagt.

           Opmerkelijk is dan ook wat de Heer Jezus zei tegen de Sadduceeën, die Hem wilden strikken in verband met het begrip ‘opstanding’, waarin ze namelijk niet geloven, zoals nog zoveel mensen. Ze kwamen bij Jezus met het door hen bedachte verhaal van die éne vrouw, waarvan tot zeven keer toe de man sterft, terwijl ze geen kinderen krijgt. De ‘bijbelvorsers’ stellen dan triomfantelijk: ‘Bij welke man hoort nou straks in de opstanding die vrouw’?

              En dan het antwoord van de Heer:

    ‘gij dwaalt, want gij kent de Schrift niet. In de opstanding (tot ware mens) geldt geen menselijk huwelijksverband, maar…………zijn de mensen als engelen in de hemel, dus noch mannelijk, noch vrouwelijk!’. Net zoals in ‘den beginne’ de eerste mens Adam. (Matth.22:23 e.v.; Marcus 12: 18-27).

           In de opstanding, dus na het aardse leven als natuurlijke mens, heeft het huwelijk tussen man en vrouw en de uitbreiding van het menselijk geslacht afgedaan. De werkelijkheid heeft de schaduw ingehaald en er is sprake van een ‘nieuwe hemel’, een ‘nieuwe aarde’ en ook een ‘nieuwe mens’, zonder onderscheid van man(nelijk) of vrouw(elijk).

           Opmerkelijk is ook, dat God zegt: ‘Ik maak alle dingen nieuw!’ (Op.21: 5). Hij schrijft het oude niet af, maar uit het oude laat Hij in alle opzichten het nieuwe tevoorschijn komen, naar Zijn vooraf opgestelde doel.

    Alvorens de (eerste, natuurlijke) mens geschapen werd, stelde de Schepper haar plaats vast in het geheel van de schepping. De mens staat in het middelpunt en vanuit dit middelpunt werden alle dingen daaromheen al van tevoren tot aanzijn (tot bedoelde functie) geroepen.

    Vergelijk hiermee als voorbeeld de aankomende geboorte van een kind. Zodra deze zich aankondigt, wordt de ‘kraamkamer’ en alles wat daarbij hoort, in gereedheid gebracht om tenslotte het kind te ontvangen.

    Zo is de hele zichtbare en onzichtbare schepping tevoorschijn geroepen om tenslotte de mens Gods te openbaren als eeuwige ‘huwelijkspartner’ van de ‘grote Schepper aller dingen’. Van dit van tevoren door de Architect opgezette plan is onze Heer de ook van tevoren geroepen en aangestelde Uitvoerder. Hij heeft daartoe van de Vader het koningschap ontvangen en Hij heerst totdat al de vijanden van het eeuwig voornemen van God aan Hem onderworpen zijn en alles functioneert, zoals de Schepper dit vooraf heeft bepaald. Dan zal onze Heer Zijn opdracht aan de Vader teruggeven en als het ware met juichende stem evenals eertijds aan het kruis, toen Hij door Zijn lijden en sterven de zonde van de wereld wegnam: HET IS VOLBRACHT en zal God zelf ‘alles en in allen zijn’ (lees 1Cor. 15: 23-28).

    Om een juist inzicht te krijgen in het doel van het goddelijk voornemen is het daarom noodzakelijk te beseffen, dat niet de ‘éérste Adam’ (natuurlijke mens) als ‘levende ziel’ of ‘levend wezen’, maar de ‘láátste Adam’ als ‘levendmakende geest’ bedoeld wordt in Gen.1: 26. Deze láátste mens is door de vervulling met de Geest of het wezen van God het beeld, dat God van oorsprong bedoelt. Om deze mens te doen ontstaan, formeerde de Schepper eerst de natuurlijke mens ‘van stof uit de aardbodem’, dus vanuit dezelfde elementen, als waaruit de hele zichtbare wereld is opgebouwd (iemand, die enigszins weet heeft van scheikunde, kan dit beamen). (Zie de profetie van Gen.2: 7 en die van 1Cor.15: 45 in dit perspectief).

    Behalve het door de Schepper geschapen eerste mensenpaar, wordt de mens in natuurlijke zin geboren uit een vader en een moeder, waarna een ontwikkeling van afhankelijk kindschap tot zelfstandige volwassenheid volgt.

     De genoemde ‘láátste mens wordt in de bijbel aangeduid als de ‘Messias’

    (hebreeuws) of de ‘Christus’ (grieks). Deze aanduiding is uitsluitend van toepassing op het wezen mens, die 

          -   als natuurlijk mens is geboren 

          -   geestelijk door Gods Woord (zaad) is verwekt (wedergeboorte)

          -   innerlijk naast de eigen geest ook vervuld of verbonden is met        

                              de Geest uit God, die ook ‘heilige Geest’ genoemd wordt.

    Het begrip Christus of christen is een ‘titel’ en geen eigennaam. De Heer Jezus wordt de Christus (= gezalfde) genoemd vanwege de vervulling met de Geest van God ofwel het wezen van de Vader. Zo wordt de door gehoorzaamheid aan het Woord van God ‘uit God geboren’ mens, die dezelfde Geest ontvangen heeft, christen genoemd. 

    Stelling 1 (vaststaand uitgangspunt):

    !!! Om de oorspronkelijk bedoelde mens voort te brengen heeft God allereerst de natuurlijke mens geschapen en terwille daarvan zijn alle dingen geschapen !!!

    Onze Heer Jezus en niet Adam is daarom de ‘Eersteling’ in het eeuwig voornemen van God. Hier geldt namelijk het goddelijk principe, dat reeds aan de zwangere Rebecca als vrouw van Izak werd geopenbaard m.b.t. de beide kinderen in haar schoot en de daaruit voortgekomen volkeren (Gen.25: 23; Rom.9:10-12):

    ‘De oudste zal de jongste dienstbaar zijn’!

    Dit Goddelijk principe is ook van toepassing op het ‘Israël naar het vlees’ (de oudste) en het ‘Israël naar de geest’ (de jongste).

    De Heer Jezus behoorde als kind van Zijn moeder tot het ‘Israël naar het vlees’, maar als kind van Zijn Vader is Hij de Eersteling van het ‘Israël naar de geest’, ook genoemd het ‘Israël Gods’ (naar Gods bedoeling; passend in het plan van God van oorsprong af) en zo is Hij ook de‘Eersteling van de níeuwe schepping’, welke voortkomt uit de eerste schepping (1Cor.15: 23; Openb.1: 17,18).

    De volheid van de tijd

    De Heer Jezus werd in de ‘volheid van de tijd’ (Gal.4: 4) door God zelf verwekt bij de gewillige Maria. (Gods woord = het zaad van de Man). Maria staat in dit kader niet op zichzelf, maar zij is de vertegenwoordigster van:

    het gehele natuurlijke (éérste) mensengeslacht (als ‘vrouw’ van God) en daarbinnen:

    het gehele natuurlijke (éérste) volk van God, dat stond ‘onder de wet’ van God en wordt aangeduid met ‘Israël ‘naar het vlees’.

    Maar volgens het Goddelijk principe in de openbaring aan Rebecca (zie boven) komt het eeuwig voornemen van God niet tot stand op basis van het ‘eerste’, maar op basis van het ‘tweede’ (= laatste). Dat gold reeds aan het begin: ‘niet Kaïn, maar Abel (= Seth)’. En zo verder in de lijn der geslachten: Niet Ismaël, maar Izak, niet Esau, maar Jakob, niet Ruben, maar Juda, enz. en in dezelfde lijn: niet Israël naar het vlees, maar Israël naar de geest, niet de uiterlijke gelovige, maar de wederom geboren gelovige. 

    Stelling 2:.

    ‘Vlees’ (schaduw) moet altijd ‘besneden worden’ of ‘sterven’ om ‘geest’ (werkelijkheid) voort te kunnen brengen.

    De zo genoemde ‘moederbelofte’, gegeven aan Eva na de ‘zondeval’ in de hof van Eden, toen zij door de mens ‘moeder van alle levenden’ werd genoemd (Gen. 3: 15,20) moeten we, evenals alle andere beloften van God, zien in het kader van het ‘eeuwig voornemen’ of ‘plan van God’. Daarin staan centraal:

    De Christus als Zoon des mensen (vgl 2Cor.1: 19-21).

    De Gemeente als ‘lichaam van Christus’ (Col.1: 24).

    De Christus is reeds geopenbaard als Hoofd, maar Hij zal ook als totale Zoon des mensen, dus samen met Zijn Gemeente (lichaam) openbaar worden en als één

    geheel verschijnen in heerlijkheid (Col.3: 1-4).

    De realisatie van de genoemde belofte aan Adam en Eva vindt plaats in de lijn van het ‘eeuwig voornemen’ van onze God.

    Eerst binnen het gelovige nageslacht van Adam, Seth, Noach, Sem en Abraham (de Semitische lijn).

    Vervolgens werd het natuurlijke nageslacht van Abraham in de lijn van Izak als volk Israël door God verwekt en verkoren en profetisch aangeduid als het volk van God, waarmee Hij een huwelijksverbond aanging.

    Hoewel deze ‘vrouw’ van de Schepper zich niet hield aan de regels van het verbond met de Schepper en herhaaldelijk afhoereerde, hield God zich daar wel aan. Hij respecteerde Zijn wettige vrouw ondanks haar ontrouw. In de door Hem bepaalde tijd (= de ‘volheid van de tijd’ Gal.4: 4) bracht dit volk, zonder het zelf te beseffen, de beloofde Messias (= de Christus) voort als de wettige Zoon van God, die vanwege zijn moeder (de mens). De Messias (Joods) of Christus (Grieks) is daardoor zowel God als Mens (*).

    [(*) Opm.: Als voorbeeld van dit feit het volgende: In de Joodse cultuur gold voor het kind het ‘Jood’-zijn, wanneer de moeder Joods was. In de Romeinse cultuur gold voor het kind het Romein zijn als de vader Romein was. Daarom kon Paulus zich zowel Jood als Romein noemen, hetgeen hij in zijn bediening ook kon hanteren (vgl Hand.16: 19-40)].

    Door middel van de Christus doorbrak God de voor de hele mensheid onverbrekelijke claim van duisternis (zondemacht = duivel) en Dood (=doodsmacht). Deze claim ligt sinds de zondeval van Adam als een doodssluier over het hele natuurlijke mensengeslacht (Jes.25: 7).

    De overwinning van Jezus over de Zondemacht en de Doodsmacht werd de basis van de vergeving van de zonde, niet alleen van de individuele mens, maar van de hele wereld, die ‘in het boze’ ligt. Door Zijn daadstelling in naam van God werd de mens(heid) weer in de juiste positie ten opzichte van God gesteld. Daarmee werd de basis van de totale verlossing van de hele mensheid uit de claim ( de klauwen) van (de) Dood (smacht) gelegd en wordt het plan van God tot algehele voltooiing gebracht.

    Opzoeken:

    Rom.9:5 meen ik in deze context te moeten lezen (vertalen) als volgt:

    …… ‘uit hen (het natuurlijke volk Israël) is, wat het vlees betreft, de Christus, die boven alles uit God is, Die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen!’

    De Christus is het door de Schepper bedachte en ‘Gode welgevallige offer’, waardoor in feite het gehele nageslacht van de eerste Adam weer onttrokken kan worden aan de claim van de Dood(smacht). In de ‘Messias/Christus’ heeft God zichzelf van een offer voorzien, zoals Abraham al profeteerde tijdens zijn gang naar Moria om zijn zoon te offeren (Gen.22: 8).

    De Heer Jezus noemde Zichzelf daarom bij voorkeur ‘Zoon des mensen’, (= Zoon van het nageslacht van de éérste Adam en dat is Zijn geestelijke ‘moeder’). Hij was/is ook ‘Zoon van God’, want God is Zijn Vader.

    Stelling 3:

    !!! De aanduidingen ‘kind’ en ‘zoon’ gelden uitsluitend het wezen mens !!!.

    Het begrip ‘kind’ duidt op de geestelijk nog onmondige mens, welke zich nog niet onderscheidt van een slaaf (Galatenbrief). De aanduiding ‘zoon’ echter geldt de met (de) heilige Geest van God vervulde nieuwe mens, welke geestelijk het ‘kindschap’ is ontgroeid en door de Geest tot een medewerker van God is geworden in de realisatie van Diens ‘eeuwig voornemen’.

    (Opm.: De aanduiding ‘zoon’ wordt in bepaalde verbanden in het Oude Testament een enkele keer gehanteerd m.b.t. engelen als ‘zonen Gods’ (boek Job).

    De begrippen ‘jood’ en ‘christen’ hebben een natuurlijke zijde, welke uiteindelijk als ‘kind-fase’ zal teniet gaan en een geestelijke zijde, welke blijvend is en als ‘zoonschap’ bekend staat, zoals bij het ‘lichaam van Christus’, waarvan de Heer Jezus het Hoofd is. Als schaduwbeeld geldt o.a. het reeds genoemde gegeven van Ismaël en Izak, beiden kinderen van Abraham.

    Ismaël was een ‘kind van het vlees’, verwekt bij de slavin Hagar. Hij is het beeld of de typering van de niet innerlijk wedergeboren godsdienstige mens, welke in geestelijk opzicht nog onmondig is en niet meer is dan een slaaf (zie Galatenbrief).     Onder deze categorie valt ook het natuurlijke nageslacht van Abraham, Izak en Jakob 

    ( het volk Israël), ondanks de beloften, welke nog op dit volk mogen rusten (vgl Gal.4: 25).

    Izak daarentegen was een ‘kind der belofte’, naar Gods spreken verwekt bij de vrije en wettige vrouw van Abraham, Sara. Door hem werd het nageslacht van Abraham genoemd (Rom. 9:6). Hij is daarom een schaduwbeeld van het door God bedoelde ‘zoonschap’, dat is de aanduiding van de mens, vervuld met het wezen of de Geest van God, ook de ‘nieuwe mens in Christus’ genoemd.

    Op het natuurlijk volk Israël rusten nog steeds beloften van God. Deze worden zeker vervuld, want onze God is een waarmaker van Zijn woord. Het doel van dit volk binnen het hele natuurlijke mensengeslacht (‘vrouw’’) en in de lijn van het ‘eeuwig voornemen’ van God (‘Man’) is geweest de openbaring van de Christus (= ‘Zoon’ van God en mens’) in de ‘volheid van de tijd’ en dit is reeds gebeurd.

    De typeringen ‘Man’, ‘vrouw’ en ‘zoon’ blijven ook in de geestelijke betekenis bestaan, omdat ze eeuwige waarden bedoelen. Zo wordt ook de ‘Christus’ voorgesteld als ‘Hoofd’ of ‘Man’ van Zijn ‘lichaam’ als ‘vrouw’, de ware gemeente, ook ‘huis(gezin) Gods’ genoemd (1Tim.3: 15). Ook de term ‘gemeente’ kent een ‘natuurlijke (schaduw)- kant, welke verdwijnt én een geestelijke werkelijkheid, welke blijft. Zo is er in de brieven van de apostelen sprake van de ‘gemeente van Jezus Christus’, maar meerdere keren ook van de ‘gemeente Gods’.

    Interpolerend vanuit het algehele plan van God is het natuurlijke volk Israël (oudste zoon) een middel en tussenfase in het bereiken van de ‘gemeente van Jezus Christus’ (jongste zoon) en deze is weer een tussenfase in het bereiken van de ‘gemeente Gods’ als doel.

    Hierin komt de eerder genoemde openbaring aan Rebecca weer naar voren:

    ‘de oudste zal de jongste dienstbaar wezen’.

    De volheid der tijden

    In de laatste fase van het plan van God met de mens, de‘volheid van alle tijden’, zal alles, wat in de hemelen en op de aarde is, onder één Hoofd, de Christus worden samengevat in overeenstemming met het welbehagen van God (Efeze 1: 7-12).

    Het ware Israël (volk Gods), waarvan het ‘fundament’ gelegd werd in de genoemde ‘volheid van de tijd’, toen God Zijn Zoon als Eersteling openbaarde, is momenteel bezig uit te groeien tot een geheel ‘lichaam van zonen’. Dit ‘Israël Gods’ en niet het eerste (schaduw)volk staat als een ‘tent van God’ (tempel) centraal in de totale mensheid, welke behouden wordt.

    Binnen de muren (= in de bediening) van het ‘Nieuwe Jeruzalem’ zullen de rechtvaardigen uit alle volken van alle tijden getroost en opgebouwd worden (dat is de periode van het ‘drogen van de tranen’). Dood noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de ‘eerste dingen’ (schaduw) zijn voorbijgegaan en Degene Die op de troon zit (God Zelf!) maakt alle dingen nieuw (Op. 21).

    De christenheid als ‘zwangere vrouw’ wordt continu vervolgd en bedreigd door de ‘draak’ (de ‘oude slang’) die haar ‘kind’ (de ‘zonen Gods’) wil verslinden (onder haar gezag en invloed brengen). Zij krijgt terstond na de ‘geboorte’ van dit ‘kind’ onder de bescherming van God een plaats ‘in de woestijn buiten het gezicht van de slang = draak’ (de voor het doel van God onvruchtbaar geworden mensheid) en zij krijgt ‘twee vleugels van de grote arend’ ( daarbij is te denken aan Woord en Geest) om daarheen te vliegen (Openb.12),

    In vergelijking hiermee mogen we ook stellen, dat ook na de openbaring van de Heer Jezus het volk der Joden, waaruit Hij is voortgekomen, naar de beloften van God een plaats zal behouden temidden van de mensheid. De specifieke beloften van God voor dit volk zullen zeker nog aan haar vervuld worden.

    Als christenen zullen we ons echter met de hogere dingen moeten bezig houden.

    Een paar gedachten n.a.v. Galaten 4:

    vs 4 - ‘volheid van de tijd’ (tijd = de bestaansperiode van de gehele zichtbare       

                 ‘eerste’ schepping met als doel de openbaring van de Christus.

    - ‘zoon’ = de uit God én mens geboren ‘nieuwe mens’, vervuld met de Geest               

       van God (vgl Izak als type of beeld).    

    vs 5 - ‘onder de wet’ = hoewel godsdienstig, toch (nog) niet vervuld met de      

                 Geest van God (vgl Ismaël als type of beeld).

    vs 6 - ‘zoonschap’ = God (heilige Geest) en mens in één lichaam.

    Het eeuwige doel van God is dat Hij zichzelf in al Zijn onmetelijke potenties geheel zal kunnen openbaren in en door de mens. Tot dit doel is de mens geschapen. Voor de hele mensheid van alle tijden en alle plaatsen geldt maar één weg om dit doel te bereiken en dat is:

    Geloof in Jezus (de) Christus

    Dit betekent niet slechts het erkennen van Zijn bestaan en Zijn lijden en sterven aan het kruis en dat Hij de ‘zonde der wereld’ gedragen heeft. Het betekent boven alles:

         geloof in en streven naar de gelijkvormigheid aan Zijn (voor)beeld door            

               de persoonlijke vervulling met de Geest (het wezen) van God.

    Wie ‘door een andere deur wil binnengaan’ (dit doel van God met de mens wil bereiken) zal blijken onbruikbaar te zijn voor de Schepper en zal als ‘onbruikbaar (smakeloos) zout’ worden ‘vertreden’ door de boze geesten.

    Het ‘tekort’ van het Joodse volk als geheel zit daarin, dat het, terwijl het uitverkoren werd als vertegenwoordiging van de na de zondvloed in volken verdeelde en verspreide mensheid, als éérste ‘vrouw’ van God de verwachte Messias ‘gebaard’ heeft, zonder dit zelf op te merken en Hem in plaats van aan te nemen daarentegen heeft verworpen.

    De ‘volheid’ van het Joodse volk bestaat daaruit, dat ze ondanks dat toch evenals wij tot de volmaaktheid van het mens- zijn naar Gods oorspronkelijke bedoeling kunnen komen. Ook voor het natuurlijke volk Israël is er geen andere weg tot het doel van God dan door het individueel aanvaarden van de enige ‘Weg’ tot het doel van God, Jezus de Christus.

    Net zoals slechts een ‘deel’ van de ‘heidenen’ (= niet-joden) dit geloof aanvaardt, zo zal ook slechts een ‘rest’ van het natuurlijke nageslacht van Abraham zich ‘met Christus bekleden’ en behouden worden.

    Beide delen echter zijn geënt op dezelfde ‘wortel’, namelijk het ‘eeuwig voornemen’ ofwel het plan van God met Zijn gehele schepping en centraal daarin de mens. Beide delen vormen als één geheel het ‘lichaam van Christus’, waarvan de Heer Jezus het Hoofd is. Dit ‘lichaam’ is in geestelijke zin de ‘tempel Gods’, welke als een ‘heilig priesterschap’ zal staan temidden van de overige gelovigen uit zowel joden als heidenen, die door de prediking van het eeuwig evangelie eveneens tot volheid gebracht worden, zodat uiteindelijk ‘God zal zijn alles in allen’ (Op.21: 3,4; 1Cor.15: 28). 

    Deze Bijbelteksten zijn voor mij de kerntekst van het evangelie van God Zelf, dat door Hem via Jezus Christus en via het ‘lichaam van Christus’ wordt geopenbaard.

    Stelling 4:

    Het evangelie van God = het evangelie van Jezus Christus = het evangelie

    van de gemeente

    De heerlijkheid van God

    Ook in de geschiedenis van het aardse volk Israël komt de genoemde openbaring aan Rebecca tot uiting. Dit volk is als ‘oudste zoon’ (vgl Ismaël en Ezau) met name door haar (onbewuste) óngehoorzaamheid de oorzaak geworden van de ontferming van God over alle mensen, Joden zowel als heidenen. Zo is dit volk dienstbaar geworden aan de ‘jongste zoon’ (het Ísraël Gods’) hetwelk van oorsprong af de belofte van God droeg (vgl Izak en Jakob als schaduwbeeld).

    De benaming ‘Israël’ heeft dus een duidelijke functie in de ontwikkeling van het plan van God met de mens. In de schaduw het ‘Israël naar het vlees’ ter onderscheiding van het ‘Israël naar de geest’ in de werkelijkheid (zie de schets op blz 11).

    Zo kan ieder mens in feite ook onderscheiden worden in de mens naar het vlees (natuurlijk) en de mens naar de geest (geestelijk).

    Het laatste (geestelijke) komt niet anders dan voort uit het eerste (natuurlijke) en ook hierin blijkt het principe: de oudste (eerste) is dienstbaar aan de jongste (laatste) (Vgl 1Cor.15: 44-49). Vanwege onze God wordt gesteld dat Hij het ‘hart’ (de mens naar de geest) aanziet en niet ‘ wat voor ogen is’ (de mens naar het vlees) (vgl 1Sam.16:7).

    In de ontwikkeling van het plan van God is geen sprake van tegenstellingen in de letterlijke betekenis van het woord. In deze ontwikkeling, zoals wij uit de context van de bijbel kunnen leren, bestaan zichtbare dingen, behorend tot de zichtbare schepping en er bestaan onzichtbare dingen, behorend tot de onzichtbare schepping. Het begin van de bijbel zegt:

    ‘In den beginne (een begintoestand) schiep God de hemel (geestelijke, onzichtbare wereld) en de aarde (natuurlijke, zichtbare wereld).

    Zowel de hemelse als de aardse dingen hebben een duidelijke functie in de genoemde ontwikkeling tot het einddoel en zijn beslist niet onderling tegenstrijdig. De zichtbare dingen zijn echter tijdelijk (schaduw) en geschapen om het onzichtbare (werkelijkheid) duidelijk te maken. Zonder de tijdelijke (éérste) dingen (zowel in de hemel als op de aarde) zouden wij nooit zicht kunnen krijgen op de eeuwige (láátste) dingen.

               De éérste (natuurlijke) mens is naar het lichaam samengesteld (geboren) uit de     stoffelijke elementen van de aarde (zie Gen.3: 19). De nieuwe (láátste) mens is ‘uit de hemel’ en wordt samengesteld (wederom geboren) uit (het Woord van) God (= Geest).   De éérste mens is (als onderdeel van de aarde) een levende ziel, ook de Heer Jezus ‘naar het vlees’; de nieuwe mens is echter een levendmakende geest (1Cor. 15: 45-49). Dit geldt uiteraard onze Heer Jezus als Eersteling, maar ook degenen, die deel uitmaken van Zijn lichaam, de ware gemeente.

    Alle dingen worden in het scheppingsproces van onze God níeuw gemaakt, zowel de hemelse als de aardse (Op.21: 5 e.v.). Toch blijven de benamingen hetzelfde:

    aarde blijft aarde; hemel blijft hemel; mens blijft mens; Israël blijft Israël enz., maar in een nieuwe status, als doorgaande ontwikkeling van schaduw tot de werkelijheid, die van Christus is.

    Oude en Nieuwe Verbond

    Het zo genoemde Oude en Nieuwe Verbond zijn niet in de tijd te scheiden. Ook nu zijn er talloze zich christen noemende mensen, die ondanks hun oprechte en vaak voorbeeldige levenspatroon toch nog in de schaduw van de oude verbonden leven. Anderzijds waren er vóór de komst van de Heer Jezus mensen, die de waarden van een nieuw verbond hanteerden, al was de Geest van God nog niet uitgestort en de Messias of Christus nog niet geopenbaard.

    Het Verbond van God met de mens is eeuwig, want wat Hij begonnen is, dat zal Hij voleindigen. De tussenverbonden zijn tijdelijk en maken telkens plaats voor een volgend detail, wanneer hier binnen het raam van het plan van God de tijd voor gekomen is. Wat de ‘tijden en gelegenheden’ binnen dit kader betreft, wordt gesteld, dat deze alleen door de grote Schepper worden bepaald. Zelfs de Zoon, die ‘aan de boezem des Vaders’ is, heeft hiervan geen weet (vgl Matth.24: 36 en Hand.1:7).

    De kern van het eeuwige verbond van God met de mens is:

    ‘De levende God is een Heiland voor alle mensen. Hij wil dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de waarheid komen, omdat dit noodzakelijk is om deel te hebben aan het heil. Er is één God en (slechts) één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zich ten behoeve van Zijn Vader gegeven heeft tot een losprijs (offer) voor allen’

    (1Tim.4:9; 2:3-6).

    Het Verbond van God betreft in feite de hele mensheid, welke Hij tevoorschijn heeft geroepen en waarvan Hij wil, dat allen het doel bereiken [behouden worden = niet verloren gaan voor dit doel (Johannes 3: 16)].

    Israël is in dit eeuwige Verbond slechts een schakel. De beoordeling of waardebepaling van deze ‘schakel’ mag alleen plaats vinden in relatie tot het gehele plan van God met de mens (het ‘eeuwig voornemen’) en niet als afzonderlijk doel op zich. 

    Evenzo geldt dit voor de Nieuw-Testamentische gemeente, waarop evenzo de titel ‘Israel’ van toepassing is. Ook dit is een schakel in het geheel en niet een doel op zich.

     ‘Israël’ betekent ‘Vorst Gods’.

    Net zoals het begrip ‘gemeente’ gebruikt wordt om:

    a) een zichtbare gemeenschap van gelovigen aan te duiden, maar ook:

    b) het mystieke ‘lichaam van Christus’

    en het begrip ‘hemel’ wordt gehanteerd om:

    de natuurlijke oneindigheid van de lucht aan te duiden, maar ook:

    de geestelijke, onzienlijke wereld en

    de ‘woning’ van de eeuwige God,

    zo wordt het begrip ‘Israël’ gehanteerd om:

    het nageslacht van Abraham via Izak en Jakob aan te geven, zowel als

    het geestelijke ‘volk van God’ in Jezus Christus, welke vanwege Zijn moeder Maria ook Zoon van David   en Zoon van Abraham wordt genoemd.

    Voor het Israël naar het vlees zijn er nog onvervulde beloften. Deze mogen echter voor ons als christenen (Israël naar de geest) geen reden zijn om zich daarop te gaan richten m.b.t. de ontwikkeling van het plan van God.

    Als schaduwvolk van het Verbond is Israël volgens de profetie afgekapt als zelfstandige ‘boom’. Maar de wortel, waaruit deze boom is opgeschoten (het verbond van God met Abraham) is blijvend en op deze wortel zijn ook wij als christenen geënt. Hieronder staat hiervan een schematische weergave in de vorm van een schetstekening:

    Het ondergronds wortelgestel van deze boom is te vergelijken met het ‘eeuwige plan van God’ ofwel ‘Het eeuwig voornemen’.

    Ad 1: De totale boom op deze wortel bedoelt een weergave te zijn van zowel:

    de éérste schepping in haar geheel, als:

    het éérste, natuurlijke volk Israël,

    Ad 2: De afgekapte boom(stronk) is dan een weergave van zowel:

    de éérste schepping na de zo genoemde zondeval, waar de gehele éérste           

         mensheid deel aan heeft, als:

    het voor het doel van de Schepper onvruchtbaar en nutteloos geworden volk      Israël, hoewel nog verbonden met de ‘wortel’.

    Ad 3: De scheut uit de wortel, die vrucht voortbrengt, geeft dan weer:

    de beloofde en voorzegde ‘nieuwe schepping’, waardoor het voornemen van de eeuwige Schepper zal gelukken, alsmede:

    de openbaring van de Messias ( de Christus ) en Diens ‘nageslacht’, de ‘laatste Adam’ (mens) , ook aangeduid als het ‘Israël Gods’, dat als het “koninklijk priesterschap’ centraal staat in de ontwikkeling van de nieuwe schepping.

    Het eeuwig voornemen

    Het doel van de eeuwige God (‘het eeuwig voornemen’) ligt al vast van vóór de schepping van ‘hemel’ en ‘aarde’. Dit doel is het voortbrengen van een totale mensheid ‘naar het beeld Gods’, d.w.z. verbonden met de onmeetbare potenties van de onzienlijke Schepper en met het vermogen deze tot uiting te brengen of ‘tevoorschijn’ te roepen.

    God schiep in het kader van Zijn doel allereerst een

    engelenwereld als zijnde het nodige ‘personeel’ in het ‘huis’, waar Hij samen als ‘Bruidegom’/ ‘Man’ met Zijn ‘bruid’/ ‘vrouw’ tot in eeuwigheid zou wonen. Dit ‘huis’ omvat de totale schepping, zowel de hemelen als de aarde, waarin onze God uiteindelijk alles en in allen zal zijn (1Cor.15:28).

    Engelen kennen geen ontwikkeling, zoals de mens. Deze tot volmaakt dienstbetoon geschapen wezens staan de mens in zijn ontwikkeling naar het doel van God ten dienste (Hebr.1: 5,7,14).

    Vervolgens schiep God onder het jubelend gezang der engelen de zichtbare dingen:

    de hemel (kosmos) met de ontelbare sterren als even zovele (potentiële) bronnen van natuurlijk licht en biologisch leven voor (met onze aarde te vergelijken) bijbehorende planeten. Als onderdeel van deze sterrenhemel nam Hij onze zon en koos de daarmee in volkomen en onaantastbare relatie prachtige, volmaakt uitgebalanceerde planeet aarde met haar éne maan om deze aarde geschikt te maken als ‘woning’ voor de mens.

    Zon, maan, sterren en aarde zijn prachtige schaduwbeelden van                respectievelijk:

    -   Zon:    onze God als Bron van alle licht en leven,

    -   Maan: onze Heer Jezus als de ‘afstraling’ van de eeuwige God als    

        lichtbrenger in de duistere nacht, maar ook in de schijngestalten          

             als typering van de Mens, die de ‘zonde der wereld’ zou dragen en      

            de Dood zou teniet doen.

    - Sterren: de engelenwereld, maar wellicht nog meer de vele ‘zonen Gods’, die tot dezelfde heerlijkheid als van de eerste Zoon gebracht zullen worden (Hebr.2:10).

    - Aarde:  de zichtbare materie in haar onmetelijke variatie. De ’woning’ 

        voor de hele natuurlijke mensheid (de éérste Adam en diens 

        nageslacht). Deze maakte Hij daartoe ‘bewoonbaar’ en schiep   

        achtereenvolgens:

         - De onmeetbaar gevarieerde en zichzelf door zaad

         vermeerderende onbezielde flora en haar veelzijdige, voor de mens  

                        eetbare vrucht.

    - De eveneens ontelbare en onmeetbaar gevarieerde bezielde fauna            op het droge en de wemelende vissensoorten als bewoners van de zeeën (Job 38/39).

     Tenslotte schiep God de ‘eerste’ mens als een levende ziel in nauwe relatie met de aarde, de genoemde flora en fauna en de onbezielde materie. Hij stelde de mens als ‘beheerder’ of koning daarover aan en als zodanig verantwoordelijk voor een juist gebruik daarvan.

    Toen God klaar was met scheppen, bezag Hij alles en gaf het geheel het predikaat mee: zeer goed! , d.w.z. in staat om de door de Schepper van oorsprong bedoelde ‘nieuwe’ mens, maar ook een ‘nieuwe’ hemel en een ‘nieuwe’ aarde voort te brengen.

    De verbonden van God met het natuurlijke volk Israël als gevolg van Zijn roeping van Abraham uit Ur der Chaldeeën staan in directe relatie met het genoemde Plan van God met de mens.

    Het uiteindelijke doel van God is een ‘Man – vrouw’ verhouding (huwelijk) met de hele (losgekochte) mensheid. De mens als ‘vrouw’ zal daarin de vrucht van Gods onmeetbare potenties voortbrengen. Op die wijze zal de schepping door de Schepper in volmaakte zin worden onderhouden en uitgebouwd tot volkomenheid in al haar geledingen. Van de voor eeuwig bedoelde relatie tussen God en mens is het ‘in den beginne’ door de Schepper ingestelde huwelijk tussen man en vrouw (!) een schaduwbeeld (Gen.1:27; 2: 24; 1Cor.15: 28 ‘God alles in allen’).

    Dwars door de verleugening der mensheid vanaf ‘den beginne’ heen zal de Schepper Zijn voorgestelde doel bereiken. Centraal in dat doel staat de ‘Christus’, dat is de mens, vervuld met het wezen of de Geest van God.

    Het Lam Gods

    De ‘Eersteling’ in deze totale nieuwe mensheid is onze Heer Jezus, ook de Christus genoemd. Naar Gods ondoorgrondelijke wijsheid is deze Eersteling tot in eeuwigheid te herkennen als het ‘Lam, dat geslacht is sedert de grondlegging der wereld’.

    In de eeuwige gedachten van de Schepper (het plan van God) had het Lam al een vastomlijnde plaats. Hij zou in de ‘volheid van de tijd’ Zijn eigen Zoon uitzenden in de wereld om als een ‘Lam’ zich namens Hemzelf te laten ‘slachten’ ter wille van de ‘zonde der wereld’ (Gal.4: 4; Op.5: 6; 13: 8).

    Stelling 6:

    !!De aanduiding ‘Lam’ is in geestelijke zin alleen maar van toepassing op het wezen mens!!

    Om dit Lam voort te brengen, schiep God de ‘éérste mens’ (Adam en diens nageslacht). Ik zie in dit verband de profetische uiting van het verlangen van onze God naar de ‘mens naar óns beeld’, dus zowel het beeld van God als het beeld van mens (Gen.1: 26,27).

    Schematisch stel ik het voor als volgt:

    God (Man) ---- eerste mens (vrouw)

                    |       (centraal: volk Israël)

           V

     nieuwe mens (Christus)

           Jezus (Man) ------ éérste gemeente op aarde (vrouw)

                               |             (centraal: ‘Israël Gods’)

            V

           zonen Gods = gemeente i/d hemel

           (tempel i/d hemel Op. 11: 19)

                 ----- open= toegankelijk voor de beschadigde mens

                                            |             

    herstel van de mensheid in ‘hemel’ en op ‘aarde’

                  (‘tranen’ worden gewist)

                                                        |

                                                                        V

                                                  nieuwe hemel en nieuwe aarde

    (zonder duisternis (a.g.v. ‘zonde niet tot de dood’) en zonder dood (a.g.v. ‘zonde tot de dood’ = occultisme)

           Einddoel van de ‘eerste dingen’ = vervulling van Genesis 1: 26, 27:                   

                 God (Man) ------------------- Mensheid (vrouw)

                 (God alles in allen! (1Cor.15: 28)

    Het volk Israël (zowel in éérste, natuurlijke zin als in láátste, geestelijke zin) is een schakel in het totale plan van God en nooit een doel op zich. Voor het natuurlijke volk (éérste, oudste zoon) gelden nog beloften, reeds aan Abraham gegeven. Deze beloften zullen pas ten volle gerealiseerd worden nadat de zegen van Abraham is gegeven en voltrokken aan de gelovigen uit de heidenen (láátste, jongste zoon).

    Het ‘nageslacht’ van Abraham

    Abraham wordt de ‘vader van alle gelovigen’ genoemd (Rom.4:16; Gal.3: 7-14). Als belangrijk schaduwbeeld van de weg der verzoening geldt namelijk het zo genoemde ‘offer van Abraham’ (Gen.22), dat een heenwijzing in zich heeft naar het ware Offerlam, onze Heer Jezus. De vraag welke ons allen in één of ander verband bezig houdt, is:

    Aan wie werd onze Heer Jezus als het ware ‘Offerlam’ geofferd?

    Het is zeer belangrijk voor een duidelijk zicht op de verzoening tussen God en mens om zicht te krijgen op deze vraag. Een duidelijk antwoord hierop bevat namelijk ‘sleutels’, waarmee andere vragen ‘geopend’ kunnen worden.

    In Hebr.9: 14 wordt in onze NBG – vertaling de conclusie getrokken, dat de Heer Jezus als de Christus zichzelf door de heilige Geest als een smetteloos offer aan Gód gebracht heeft. Kennelijk komt deze vertaling voort vanuit de vermeende vanzelfsprekendheid bij de vroege kerkvaders, dat er aan Gód geofferd moest worden om verzoening tussen Hem en de mens te bewerken. God zou a.h.w. tevreden gesteld moeten worden vanwege de zondeval van de mens.

    Onze goede God en Vader van onze Heer Jezus wordt hierin echter onbedoeld gelijkgesteld met afgoden, waaraan de heidenen uit vrees en om hen gunstig te stemmen, hun (soms gruwelijke) offers brengen.

    De Griekse grondtekst is echter zeer verschillend te interpreteren. De meest toepasselijke vertaling is naar mijn mening, dat God Zelf de grote Offeraar is. Hij heeft vanuit Zijn grote mensenliefde (Titus 3: 4-7) Zijn eigen en enige Zoon (Mens!) overgegeven aan de Dood (geofferd) om de zonde van de hele wereld weg te nemen.

    Stelling 7:

    !!! De ‘zonde der wereld’ is de onmogelijkheid van de hele schepping met aan het hoofd de mens, om tot het van oorsprong af geldende doel van God te komen !!!

    Het ware Offerlam

    Onze Heer Jezus, als zelfstandig mens door God Zelf verwekt, heeft zich vrijwillig als Offerlam voor God beschikbaar gesteld, zodat Deze vanuit Zijn liefde tot de mens zou kunnen offeren aan de Dood. De ‘ene, kostbare (smetteloze) Parel’ werd ingeruild voor alle andere (besmette) ‘parels’ (mensen), maar de Dood kon deze éne Parel niet houden en spuwde hem uit, zoals eertijds de vis Jona uitspuwde (Jona 2).

    De orthodoxe bijbelgeleerden hebben het niet aangedurfd iets neer te schrijven, wat tegen de algemeen aanvaarde kerkelijke interpretatie in ging. In de SV klinkt de genoemde tekst daarom als volgt: ‘……… die door de eeuwige Geest zichzelf Gode onstraffelijk heeft opgeofferd.

    Deze vertaling is m.i. wat beter, maar (bewust?) onduidelijk gehouden.

    Dit kan immers net zo goed (m.i. op juiste wijze) vertaald worden als ‘voor God beschikbaar gesteld als offer’, zoals ook Izak zich indertijd vrijwillig aan Abraham beschikbaar stelde, toen deze de opdracht kreeg zijn enige zoon, die hij zo lief had, te offeren. Hoe makkelijk zou deze jongeman niet hebben kunnen vluchten en hoe makkelijk had ook onze Heer kunnen zeggen: ‘ik doe het niet!’ Maar zowel de één als de ander gaf zich over ter wille van het doel van de V(v)ader.

    Het is een onbegrijpelijke gedachte, dat de hemelse Vader zowel Offeraar zou zijn als degene, die het offer zou ontvangen. Even onbegrijpelijk is de gedachte als zou de Heer Jezus zowel Offerlam als Offeraar zijn in deze zaak. De Leidsche - en de Canisius Vertaling geven m.i. het beste weer wat de grondtekst in Hebr.9: 14 bedoelt, namelijk het opdragen van zichzelf door de Heer Jezus aan God, zodat Deze binnen het raam van Zijn plan kon offeren.

    Het geloof van Abraham  

    De verkiezing van Israël is terug te voeren op de roeping van Abraham uit Ur der Chaldeeën, het latere Babylon. De stamvader van Israël weigerde op basis van zijn roeping ‘steden’ te bouwen op aarde en verkoos een nomadenbestaan in deze wereld. Hij verwachtte een ‘stad’, waarvan God Zelf de Ontwerper en Bouwmeester is, het hemelse Jeruzalem, waarbinnen de ‘vrije’ ‘zoon der belofte’ past en niet de ‘zoon der slavin’.

    Met deze laatste is niet alleen het natuurlijke Israël te vergelijken, maar ook allen, die wel op één of andere manier in God geloven, maar niet in zichzelf het ‘beeld van de zoon’ deelachtig worden, waartoe immers ook wij als christenen zijn geroepen (Gal.4:21-31; Rom.8: 28-31).

    Abraham zag en ‘omhelsde’ door geloof ‘van verre’ het plan van God met de mens en bleef daarom bewust een ‘vreemdeling’ op aarde. Hij zocht zeker geen ‘heilsstaat’ Israël, zoals velen heden ten dage doen, maar verlangde naar een beter, hemels vaderland. Zijn geloof ging zover, dat hij na veel nadenken en innerlijk overwegen zelfs bereid was zijn enige ‘zoon der belofte’ te offeren en hij hield rekening met diens opstanding uit de doden (van tussen de doden uit), omdat hij niet twijfelde aan het woord en de belofte van God (Hebr.11:8-10, 13-19).

    Wedergeboorte

    Het ‘bad der wedergeboorte’ en (het bad van) ‘de vernieuwing door de heilige Geest’, zoals gesteld in Titus 3: 5 betreffen duidelijk de mens, welke door de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland God de mogelijkheid heeft om gered te worden.

    Wedergeboorte door het levende en blijvende Woord van God en vernieuwing door de heilige Geest zijn aanvullende processen, welke tot één doel voeren, namelijk een geheel vernieuwde totale mensheid, centraal staand in de vernieuwde schepping. Dit is de mens, welke de eeuwige Schepper als oorspronkelijk ‘model’ voor ogen had.

    Zo wordt het Woord Gods bewaarheid: ‘Ik maak alle dingen nieuw!’ (Op.21:5).

    ‘Vernieuwing door de heilige Geest’ geeft de ontwikkeling van de mens weer vanuit een ‘kind – Vader’ tot een ‘zoon – Vader’ - verhouding t.o.v. God.

    Gods Geest is de ‘Geest van het zoonschap’ (Rom.8).

    Conclusie

    Het natuurlijke volk Israël heeft, naar Gods belofte, een plaats temidden van de volkeren. Hun roeping en taak is reeds vervuld in het ‘voortbrengen’ van de Christus naar het plan van God, maar ze zullen naar Gods beloften als volk blijven bestaan en hun land, wat aan hun vaderen is beloofd, blijvend bewonen. Ze zullen vanwege de voor hen geldende beloften verzameld worden uit alle volken en wonen op het hun toegewezen erfdeel.

           Vanaf het begin heeft God als Schepper een verbond met de natuurlijke mens en diens gehele nageslacht gesloten. Alle (tussen)verbonden, die in de bijbel worden weergegeven. zijn details daarvan en hebben alleen hun waarde in het kader van het gehele ‘plan van God’ met de mens. Achtereenvolgens is er sprake van:

    De roeping van en taakstelling voor de mens (man en vrouw) m.b.t. al het geschapene (Gen.1: 28 e.v.).

    De taakstelling voor Noach na de zondvloed (Gen.9).

    De roeping en verkiezing van de aartsvaders, m.n. Abraham als ‘vader van een menigte van volken’ (Gen.17: 4 e.v.)

    De vorming, roeping en verkiezing van het volk Israël als centraal temidden van ‘alle ‘geslachten des aardbodems’ (Gen. 28: 14; Gen.35).

    De roeping en verkiezing van David en zijn nageslacht (boeken van Samuël).

    De openbaring van de Zoon van God en mens in de ‘volheid van de tijd’

                             (= de wortel en het geslacht van David (zie Op.22: 16).

    De vorming en verkiezing van het ‘lichaam (gemeente) van Christus’ =         ‘gemeente (‘lichaam’) Gods’.

    De roeping en verkiezing van alle mensen (uit alle geslachten des aardbodems), die het ‘offer van de Zoon’ als redding aanvaarden.

                        ‘God alles in allen’ (1Cor.15:28)

           Zoals reeds gesteld, is het natuurlijke volk Israël een door God Zelf ingestelde ‘schakel’ in het heilsplan van God met de mens en de hele schepping.

    Vanuit het principiële gegeven, dat God ‘alle dingen nieuw maakt’, kunnen we al beginnen te denken bij het begin. De ‘eeuwige Schepper’ schiep de éérste dingen met het oog op de láátste. Niet zonder de éérste hemel onstaat de láátste; niet zonder de éérste aarde ontstaat de nieuwe; niet zonder de éérste Adam ontstaat de láátste Adam (de Christus); niet zonder het éérste Israël (gemeente des Heren) ontstaat het láátste Israël, de láátste gemeente Gods.

    En dit alles vanuit de éne, eeuwige doelstelling van onze God, de grote Schepper aller dingen!

    De indeling van de mensheid in verschillende volken behoort geheel tot de oude bedeling. God zelf heeft de grenzen der volken bepaald in relatie tot Israël (Deut.32: 8). Deze grenzen vallen echter in de herstelde nieuwe schepping geheel weg, want er zal slechts één kudde en één Herder wezen. Van dit nieuwe ‘Israël Gods’ zal onze Heer Jezus de ‘Koning der koningen’ en de ‘Heer der heren’ zijn, de ‘David’ van de nieuwe tijd (vgl Ez.34: 23 e.v.).

           In mijn ogen wordt de fout nogal eens gemaakt, dat m.b.t. het verstaan van ‘de dingen Gods’ de details worden verabsoluteerd en het geheel wordt verkleind of in het geheel niet gekend.

           Vanuit de theorie en praktijk van mijn loopbaan in bos, natuur en landschap heb ik een belangrijk gegeven onthouden: niet extrapoleren, maar interpoleren. Extrapoleren is vanuit het kleine detail het grote gaan invullen. Daarin worden veel fouten gemaakt en wordt het doel gerelateerd aan de wens.

    Interpoleren wil echter zeggen:

     vanuit het gegeven van het grote geheel (het einddoel van het plan van God) de details een plaats geven en verstaan.

           Wanneer we bezig zijn met het doorvorsen van de bedoeling van onze God, de grote Schepper en Onderhouder van alle dingen, dan moeten we niet gaan extrapoleren, maar een zuivere interpolatie toepassen, geënt op de openbaring door de Geest van onze God vanuit de bijbelse gegevens.

    Dit deed ook de Heer Jezus, vervuld als Hij was met dezelfde Geest. Op deze wijze zullen wij steeds meer de waarheid verstaan en daardoor steeds meer vrij komen van eigenzinnige interpretaties van de zo belangrijke dingen van het Koninkrijk der hemelen en het ‘geheim van onze God’.

    Hessel Hoefnagel, maart 2010 .